Rechtspraak
Feiten
In de procedure die tot het wrakingsverzoek heeft geleid, is aan de orde of een door werkgeefster aan de werknemer verleend ontslag op staande voet dient te worden vernietigd. Tijdens de mondelinge behandeling bleef de rechter, volgens werkgeefster, herhalen dat het gedrag van werknemer geen reden was geweest om hem te ontslaan. Werkgeefster heeft toegelicht dat zij eerst advies had ingewonnen en dat vervolgens het ontslag was gegeven. De rechter bleef bij zijn eigen versie en zei dat hij dat niet onverwijld vond. De rechter geeft aan dat hij slechts stevig doorvroeg op de zienswijze van gemachtigde. Dit had als oorzaak dat de rechter van mening was dat in het verweerschrift werd aangegeven dat werkgeefster de aan haar geuite bedreigingen zelf geen reden voor ontslag op staande voet vond, maar dat zij de volgende dag van de directeur de opdracht kreeg om alsnog tot ontslag op staande voet over te gaan. De rechter heeft werkgeefster vervolgens gevraagd wat de meegebrachte getuigen in een getuigenverhoor zouden kunnen toevoegen aan hun uitgebreide en ondertekende schriftelijke verklaringen die reeds in het geding waren gebracht. De rechter heeft aan de gemachtigde meerdere keren te kennen gegeven dat hij geen enkel oordeel over de zaak had gevormd. Werkgeefster is van mening dat de rechter boos lijkt te zijn geworden over het aangekondigde hoger beroep en als reactie daarop de getuigen niet meer heeft willen horen. Werkgeefster wraakt de rechter, omdat zij van mening is dat de rechter haar woorden in de mond legt die zij niet gebruikt en de woorden zij wel gebruikt anders uitlegt dan dat zij bedoelt. Ondanks de uitleg van werkgeefster blijft de rechter bij zijn uitleg over hoe haar woorden uitgelegd moeten worden. De rechter wil geen getuigen horen, omdat hij al zou weten wat de getuigen zullen verklaren, wat hij op voorhand al onvoldoende acht, aldus werkgeefster.
Oordeel
Ter zitting van de wrakingskamer heeft zij uiteindelijk kunnen vaststellen dat de rechter aan het begin van de zitting van 21 februari 2020 niet heeft gezegd dat hij de getuigen zou horen. Hij heeft, zoals blijkt uit het proces-verbaal en de verklaringen van de gemachtigde van verzoekster ter zitting van de wrakingskamer, aangegeven dat de personen die mogelijk nog als getuige zouden moeten worden gehoord, op de gang zouden moeten wachten. Daarop hebben deze de zittingzaal verlaten. Aan deze gang van zaken kan geen aanwijzing worden ontleend voor het oordeel dat de vrees voor partijdigheid van de rechter naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Dit wordt anders zodra de gemachtigde van verzoekster en de rechter in discussie raken over de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. In die discussie heeft de rechter volgens het gespreksverslag gezegd: ‘(...) maar hoe dan ook. Het ontslag is ook niet onverwijld gegeven (...)’, ‘(...)Dat is dus niet onverwijld (...)’ en ‘(...) ik ga niet met u in discussie. Ik vind dat u niet onverwijld het ontslag heeft verleend.’ Dat zijn bewoordingen die verzoekster zo heeft mogen opvatten dat de rechter zich reeds een oordeel had gevormd over de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld was gegeven. Zelfs indien in aanmerking wordt genomen dat deze woorden door de rechter zijn gesproken in het kader van een discussie ter zitting met als doel de feiten te verzamelen, dan nog zijn die bewoordingen dermate stellig en ondubbelzinnig, dat de vrees van verzoekster dat de rechter zich over dit aspect van de zaak reeds een oordeel had gevormd naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Het verzoek is mitsdien gegrond en wordt toegewezen.