Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17 maart 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:859
Vordering tot herroeping van door hof gewezen arrest in eerder geding tussen partijen, wegens beweerdelijk door UWV in dat geding gepleegd bedrog, afgewezen. Termijn van drie maanden is overschreden en voorts is niet gebleken van door UWV gepleegd bedrog in eerder geding.

Feiten

Werknemer is van 16 augustus 1986 tot 1 juni 2012 in loondienst geweest van UWV en rechtsvoorgangers daarvan, laatstelijk in de functie van senior beleidsmedewerker op de afdeling Arbeidsmarkt Kennis en Advies. UWV heeft werknemer in het kader van een reorganisatie met ingang van 1 januari 2008 boventallig verklaard. Bij besluit van 11 november 2011 heeft de Ontslagcommissie UWV aan UWV toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen op grond van bedrijfseconomische redenen. UWV heeft de arbeidsovereenkomst daarna opgezegd met ingang van 1 juni 2012. Werknemer heeft zijn ontslag in rechte aangevochten. Daartoe heeft hij betoogd dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door UWV kennelijk onredelijk is als bedoeld in artikel 7:681 BW (oud). Het betoog van werknemer dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is, berust onder meer op de stelling dat deze in werkelijkheid niet het gevolg is geweest van bedrijfseconomische redenen, omdat de reorganisatie bij UWV andere doelen diende en omdat is voorbijgegaan aan afspraken in verband met de reorganisatie met de ondernemingsraad van UWV en aan het sociaal plan. In eerste aanleg zijn de vorderingen van werknemer afgewezen. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 12 april 2016 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Kern van de onderhavige zaak is de vraag of voornoemd arrest van het hof moet worden herroepen op de grond dat UWV bedrog heeft gepleegd in het geding waarin dat arrest is gewezen. Ter onderbouwing van het door werknemer gestelde bedrog beroept hij zich op een schriftelijke verklaring daterend van 31 januari 2018 van de direct leidinggevende van werknemer. De verklaring bevat een toelichting op de reorganisatie waarbij de functie van werknemer is vervallen, op diens feitelijke, projectgebonden werkzaamheden bij UWV en op in verband met de reorganisatie gemaakte, voor werknemer geldende afspraken, mede in samenhang met diens boventalligverklaring en mogelijke herplaatsing. De conclusie die in het betoog van werknemer besloten ligt, is dat het hof bij een juiste voorstelling van zaken door UWV zou zijn gekomen tot een ander, voor werknemer gunstiger oordeel over de door hem gestelde kennelijke onredelijkheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door UWV, dan de beoordeling daarvan in het arrest waarvan hij herroeping vordert.

Oordeel

Het hof volgt werknemer niet in zijn betoog. Op de eerste plaats volgt uit artikel 383 lid 1 Rv dat de vordering tot herroeping had moeten worden ingesteld binnen drie maanden nadat na afloop van het voorgaande geding aan werknemer feiten en omstandigheden bekend waren geworden die tezamen het gestelde bedrog van UWV opleveren, waarop de vordering berust. Dit is niet gebeurd. De feiten en omstandigheden waarover de leidinggevende zich in zijn verklaring van 31 januari 2018 heeft uitgelaten en waaruit volgens werknemer volgt dat UWV zich in het voorgaande geding bedrieglijk heeft gedragen, betreffen geen feiten en omstandigheden waarmee werknemer pas door de verklaring van zijn leidinggevende bekend is geworden. Op de tweede plaats is voor herroeping van een arrest op de grond dat het berust op door de wederpartij in het geding gepleegd bedrog, zoals bedoeld in artikel 382 onder a Rv, de aanwezigheid van feiten en omstandigheden vereist waaruit volgt dat de wederpartij zich in het voorgaande geding bedrieglijk heeft gedragen en hierdoor een voor haar gunstige afloop van dat geding heeft weten te bewerkstelligen. Daarvan zou sprake kunnen zijn als UWV het hof had misleid op één of meer punten die van belang waren voor de beoordeling in hoger beroep van de door werknemer gestelde kennelijke onredelijkheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld door het betrekken van stellingen waarvan UWV wist dat deze in strijd met de waarheid waren of door het verzwijgen van voor de beslissing in hoger beroep van belang zijnde feiten. Aan dit vereiste van bedrog is niet voldaan. Het hof overweegt tot slot dat een herroepingsprocedure niet is bestemd om een partij na een voor haar onvoordelig arrest in de gelegenheid te stellen door voortgezet debat alsnog haar gelijk te halen. Precies dát tracht werknemer in dit geding te bereiken. De vordering tot herroeping wordt afgewezen.