Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 2 april 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:2440
Ontbinding op verzoek werknemer. Geen sprake van slapend dienstverband. Aan vereisten artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en sub b BW is niet voldaan en werkgever had gerechtvaardigd belang bij instandhouding arbeidsovereenkomst (reële re-integratiemogelijkheden). Geen transitievergoeding verschuldigd.

Feiten

Werknemer is sinds 1 februari 2014 in dienst bij werkgeefster. De functie van werknemer is Sales & Marketing Manager. Op 21 oktober 2016 heeft werknemer zich ziek gemeld, omdat zijn kanker was teruggekeerd. UWV heeft op 23 augustus 2018 geoordeeld dat werknemer vanaf 19 oktober 2019 tot en met 18 juni 2020 een WGA-uitkering zal ontvangen. Op 14 maart 2019 heeft werknemer zich bij werkgeefster beschikbaar gesteld om werkzaamheden te verrichten, althans om met de re-integratie te starten. Bij brief van 14 mei 2019 is namens werknemer medegedeeld dat hij zich niet in staat acht zijn werkzaamheden te hervatten, in verband met een inmiddels tussen partijen bestaand arbeidsconflict. In het arbeidsdeskundig rapport Beoordeling WIA van 29 mei 2019 staat onder meer dat werknemer 33,04% arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA. Bij brief van 4 juni 2019 heeft UWV aan werknemer geschreven dat hij met ingang van 19 juni 2020 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verder is in de brief aangegeven dat werknemer tot die tijd een loongerelateerde uitkering ontvangt. Op 19 augustus 2019 is tijdens een gesprek tussen partijen gebleken dat de terugkeer van werknemer bij werkgeefster niet mogelijk is. Partijen hebben geen minnelijke regeling kunnen treffen. Werknemer verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden, onder toekenning van onder meer de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Oordeel

Ontbindingsverzoek

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per heden.

Transitievergoeding

Werknemer verzoekt de kantonrechter om werkgever te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding. Volgens werknemer is werkgever deze verschuldigd, omdat sprake is van een slapend dienstverband, nu werkgever de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte van werknemer niet heeft opgezegd, hoewel hij daartoe wel bevoegd was, en waarbij aan werknemer geen loon meer is betaald. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval niet is voldaan aan de door de Hoge Raad in de Xella-beschikking geformuleerde criteria. Hoewel niet in geschil is dat werknemer langer dan 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en werkgever de arbeidsovereenkomst destijds niet heeft beëindigd, heeft de bedrijfsarts in oktober 2017 geoordeeld dat werknemer kon starten met re-integreren en heeft werknemer zich eerst op 14 maart 2019 bij werkgever beschikbaar gesteld om werkzaamheden te verrichten, althans aan te vangen met de re-integratie. Daarbij komt dat naar aanleiding van een herkeuring in mei 2019 is geoordeeld dat werknemer slechts nog voor 33,04% arbeidsongeschikt was. Aan de vereisten van artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid was aldus niet voldaan en werkgever had een gerechtvaardigd belang bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Tot het gesprek van 19 augustus 2019 kon immers ook niet worden gezegd dat er geen reële re-integratiemogelijkheden voor werknemer bestonden. Het voorgaande betekent dat het standpunt van werknemer dat werkgever, op grond van goed werkgeverschap, na twee jaar arbeidsongeschiktheid gehouden was in te stemmen met het voorstel van werknemer om de arbeidsovereenkomst te beëindigen met wederzijds goedvinden onder toekenning van de transitievergoeding, niet wordt gevolgd en het verzoek van werknemer om toekenning van de transitievergoeding op die grond wordt afgewezen.

Billijke vergoeding

Ook het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen. Waar het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever uit zou bestaan is niet onderbouwd met stukken en het is daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt.