Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 12 mei 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:3687
Feiten
Werknemer is sinds 6 juni 2006 werkzaam bij DBDG, aanvankelijk als bedrijfsleider. Onder meer vanwege kritiek op zijn functioneren is de functie van werknemer gewijzigd in die van chef staalhal. In 2016 en 2017 heeft X meermaals kritiek geuit op het functioneren. Werknemer is op 12 januari 2017 uitgevallen wegens ziekte. Per 24 september 2018 is werknemer weer volledig arbeidsgeschikt verklaard. Tot die datum heeft werknemer aangepaste, uitvoerende werkzaamheden verricht. DGDB heeft zich in het kader van de re-integratie op het standpunt gesteld dat terugkeer in de eigen functie niet meer mogelijk is en werknemer zijn werkzaamheden kan voortzetten in de functie van Samenbouwer. Werknemer heeft daar niet mee ingestemd en toelating tot zijn functie gevorderd. De kantonrechter in kort geding heeft de vordering toegewezen. Werknemer heeft zijn werkzaamheden (gedeeltelijk) hervat. Tussen partijen is discussie geweest over de invulling van de functie. Op 9 mei 2019 is namens werknemer aan DGDB geschreven dat DBDG zich vanaf 8 mei 2019 heeft geconformeerd aan het vonnis en dwangsommen heeft verbeurd voor een bedrag van € 22.000. DGDB heeft in eerste aanleg gevorderd om werknemer te verbieden executiemaatregelen te nemen of voort te zetten. De voorzieningenrechter heeft de vordering toegewezen. Werknemer vordert in hoger beroep onder meer vernietiging van het vonnis.
Oordeel
Deze procedure in kort geding ziet op de vraag of DBDG dwangsommen moet betalen omdat zij volgens werknemer het vonnis van 17 april 2019 niet is nagekomen. Bij de beoordeling van de vraag of DBDG dwangsommen is verschuldigd, moet het hof, voorlopig oordelend, het in het eerste kortgedingvonnis gegeven gebod aan DBDG uitleggen. In dat vonnis is DGDB geboden om werknemer binnen 24 uur in staat te stellen zijn werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te hervatten. In het vonnis is niet te lezen dat aandacht is besteed aan de tijd die nodig was om werknemer, die de functie al ruim twee jaar niet had uitgeoefend, weer alle werkzaamheden te kunnen laten uitvoeren. Niet in geschil is dat de functie niet meer aanwezig was en dat er binnen de organisatie wijzigingen moesten worden doorgevoerd om werknemer zijn oorspronkelijke taken weer te laten uitvoeren. DGDB heeft onmiddellijk na het vonnis medegedeeld het vonnis te aanvaarden. Werknemer is tot zijn werkplek toegelaten waar hij, naar hij stelt, zo’n 80% van zijn oorspronkelijke werkzaamheden kon verrichten. Dat alle noodzakelijke wijzigingen in de organisatie om werknemer al zijn vroegere werkzaamheden te doen hervatten, binnen 24 uur na betekening van het vonnis zouden zijn doorgevoerd, kon dan ook niet worden aangenomen en brengt op zichzelf niet mee dat niet aan doel en strekking van het gebod uit het vonnis werd voldaan. Het zich tot 6 mei 2019 niet voordoen van bepaalde taken en werkzaamheden betekent niet dat DGDB geen gehoor gaf aan het gebod. De inspanningen waren in lijn met het gegeven gebod. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.