Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 25 maart 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:4487
Feiten
Fagron Nederland B.V. (hierna: Fagron) houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van farmaceutische producten. Werknemer is vanaf 1 augustus 1998 tot 1 december 2018 in dienst geweest van Fagron, laatstelijk in de functie van business controller. Werknemer heeft daartoe ingeschreven gestaan bij de Kamer van Koophandel als procuratiehouder met een volmacht tot € 1 miljoen. B en G zijn broers van werknemer, C is een neef van werknemer, D was de (levens)partner van werknemer en H was tot zijn vertrek op 1 februari 2018 een collega van werknemer bij Fagron. Bedrijf 5 (tevens handelend onder de naam E B.V.) en Bedrijf 6 (tevens handelend onder de namen F1 B.V. en F2 B.V.) zijn vennootschappen van werknemer en B. B is statutair bestuurder van Bedrijf 5 en C van Bedrijf 6. Per 1 september 2018 is Z in dienst getreden van Fagron in de functie van financieel manager. Op 20 november 2018 zijn Fagron en werknemer een vaststellingsovereenkomst aangegaan ter beëindiging van het dienstverband per 1 december 2018. Op 12 december 2018 heeft Z aan de CFO van Fagron melding gemaakt van een vermoeden dat er gelden zijn onttrokken. Fagron heeft bij nader onderzoek in haar boekhouding vanaf eind 2018 vastgesteld dat vanaf haar bankrekening bedragen zijn overgeboekt naar bankrekeningen van Bedrijf 5, Bedrijf 6, Bedrijf B (een andere vennootschap van werknemer en B), De Gouden Handjes B.V. en H almede dat Hoveniersbedrijf Tuinier is betaald voor werkzaamheden in de tuin van werknemer en D. Tevens zijn gedurende een reeks van jaren facturen ten name van E B.V. betaald op een bankrekening van Bedrijf 5 voor leasekosten van twee – eerder door Fagron zelf gekochte en betaalde – Mercedesbestelbussen. Fagron heeft haar bevindingen voorgelegd aan het forensisch accountantskantoor Grant Thornton Forensic & Investigation Services B.V. (hierna: Grant Thornton). Bij brief van 14 januari 2019 heeft Grant Thornton – kort samengevat – aan Fagron bericht dat de bevindingen van Fagron overeenkomen met de werkelijkheid. Bij brief aan werknemer van 27 december 2018 heeft Fagron de artikelen 3 (de beëindigingsvergoeding) en 19 (finale kwijting) van de vaststellingsovereenkomst vernietigd (onder meer) op grond van dwaling. Werknemer heeft daartegen geprotesteerd. Vanaf 19 december 2018 heeft Fagron ten laste van gedaagden conservatoire beslagen laten leggen. Fagron vordert onder meer hoofdelijke veroordeling van alle gedaagden tot betaling aan Fagron van € 1.914.427,05, met rente telkens vanaf de dag van de onttrekkingen.
Oordeel
Is werknemer aansprakelijk of komt hem een beroep toe op het kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst?
Volgens werknemer dient het kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst aldus te worden uitgelegd, dat ook zijn aansprakelijkheid wegens de in geding zijnde fraude onder de reikwijdte van dat beding valt. De rechtbank gaat niet mee in werknemers standpunt dat hij redelijkerwijs mocht begrijpen (Haviltex) dat Fagron bij het aangaan van dat beding met de fraude bekend was. Het ontbreekt aan aanwijzingen voor de door werknemer bepleite uitleg. Daarentegen is veel meer te zeggen voor de uitleg van Fagron dat alleen aansprakelijkheid uit de arbeidsovereenkomst en wat daarmee samenhangt eronder valt. Met dit alles faalt het beroep van werknemer op het kwijtingsbeding. Met het voorgaande is de aansprakelijkheid van werknemer op grond van onrechtmatig handelen gegeven en ligt de omvang van die aansprakelijkheid ter beoordeling voor. De rechtbank concludeert dat alle verweren van werknemer falen en mitsdien het gevorderde bedrag integraal toewijsbaar is met – als verder niet betwist – rente zoals gevorderd.
Zijn de overige betrokken partijen mede aansprakelijk voor betrokkenheid bij fraude?
Niet is in geschil dat B samen met werknemer de vennootschappen Bedrijf 5, Bedrijf 6 en bedrijf B heeft opgericht en van deze vennootschappen steeds 50% aandeelhouder is geweest. Als niet gemotiveerd betwist kan gevoeglijk ervan worden uitgegaan dat deze vennootschappen geen ander doel hadden dan de aan het vermogen van Fagron onttrokken gelden te incasseren. Daarentegen is gebleken dat B zelf valse facturen heeft opgesteld en naar werknemer bij Fagron heeft gestuurd. Dit alles is voldoende voor de vaststelling dat B in die mate betrokken is geweest bij de fraude dat hij daarvoor jegens Fagron naast werknemer en Bedrijf 5 en Bedrijf 6 mede aansprakelijk moet worden geacht, althans voor zover het de betalingen aan Bedrijf 5, Bedrijf 6 en bedrijf B betreft. Fagron heeft voor de aansprakelijkheid van echtgenote D op grond van onrechtmatig handelen niet meer aangevoerd dan dat zij wetenschap had van het onrechtmatig handelen, oftewel de fraude van werknemer en daarvan heeft geprofiteerd. Het enkel wetenschap hebben en profiteren van onrechtmatig handelen van een ander is echter onvoldoende om onrechtmatig handelen van de profiterende partij aan te nemen. D is wel door de fraude ten koste van Fagron verrijkt. Fagron wordt geacht navenant te zijn verarmd, althans indien en voor zover de na te noemen gedaagden ter zake geen verhaal bieden; de redelijkheid gebiedt dat D de schade tot het beloop van de verarming van Fagron vergoedt. De vorderingen tegen C en G worden afgewezen.
Vernietiging bepaling over beëindigingsvergoeding in vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling
De vordering van werknemer tot betaling van de beëindigingsvergoeding van € 128.540,74 brengt de rechtbank alsnog op de vernietigingsverklaring van Fagron. Het beroep van Fagron op dwaling wordt gehonoreerd. Het spreekt voor zich dat Fagron bij zelfs maar een geringste vermoeden van fraude – laat staan bij een juiste voorstelling van zaken daaromtrent – geen beëindigingsvergoeding met werknemer zou hebben afgesproken. Haar vernietigingsverklaring heeft dus doel getroffen.