Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer c.s./Dutch Protein & Services B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 6 mei 2020
ECLI:NL:RBGEL:2020:2489
Geen schorsing relatiebeding na vaststellingsovereenkomst. Geen sprake van onvoorziene omstandigheden.

Feiten

Werknemer treedt op 1 mei 2007 als accountmanager in dienst bij Dutch Protein & Services B.V. (hierna: DP&S). Partijen sluiten in februari 2018 een vaststellingsovereenkomst. Hierin is onder meer opgenomen dat het relatiebeding gehandhaafd blijft, maar dat werknemer met toestemming van DP&S met ingang van 1 maart 2018 in dienst treedt bij NDH Foods B.V. (hierna: NDH). Partijen hebben elkaar in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting verleend. Per 1 maart 2018 treedt werknemer in dienst bij NDH als Technical Sales Support Manager. NDH is in het laatste kwartaal van 2019 overgenomen door Stern-Wywiol Gruppe. FI&S BV is gelieerd aan NDH en heeft werknemer een arbeidsovereenkomst als Sales Manager aangeboden per 1 april 2020 onder de voorwaarde dat hij niet langer is gebonden aan een relatiebeding met DP&S. DP&S handhaaft het relatiebeding. Werknemer vordert onder meer schorsing van het relatiebeding.

Oordeel

Schorsing relatiebeding

In de vaststellingsovereenkomst is het concurrentiebeding aangepast en het relatiebeding gehandhaafd. Naast DP&S en werknemer zijn ook NDH en FI&S betrokken bij de vaststellingsovereenkomst, hetgeen de uitkomst is van het tussen voornoemde vier partijen bereikte onderhandelingsresultaat. Ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft werknemer de gevolgen van het relatiebeding na afweging van zijn eigen belangen aanvaard. Van onbillijke benadeling kan derhalve niet snel sprake zijn. Dit betekent dat slechts een eventuele onvoorziene wijziging in de belangen (omstandigheden), die na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst plaatsvindt, kan leiden tot een geslaagd beroep op artikel 7:653 lid 3 sub b BW. Een omstandigheid in het kader van artikel 6:258 lid 1 BW is onvoorzien, als zij niet in de (vaststellings)overeenkomst is verdisconteerd. De kantonrechter overweegt dat partijen in de vaststellingsovereenkomst expliciet zijn overeengekomen dat het werknemer tot 1 maart 2020 is verboden om bij FI&S een bepaalde functie te bekleden of voor FI&S bepaalde verkoopwerkzaamheden te verrichten. Daarnaast is het relatiebeding van 36 maanden onverkort van kracht verklaard. Naar het oordeel van de kantonrechter is de combinatie van voornoemde afspraken – de duur van het concurrentiebeding is korter dan de duur van het relatiebeding – niet innerlijk tegenstrijdig. Het leidt ertoe dat werknemer vanaf 1 maart 2020 in dienst kan treden bij een concurrent (bijvoorbeeld FI&S), maar dat hij tot 1 maart 2021 wel blijft gebonden aan zijn relatiebeding. Het feit dat NDH is overgenomen maakt niet dat werknemer genoodzaakt is om bij FI&S in dienst te treden en werkzaam te zijn in de Benelux, omdat niet is komen vast te staan dat de overnemende partij de arbeidsovereenkomst met werknemer voor het einde van zijn relatiebeding wenst te beëindigen. Werknemer heeft ter zitting verklaard dat hij wil werken, maar liever niet meer in een buitenlandfunctie vanwege het vele reizen. Werknemer kan derhalve met ingang van 1 maart 2020 (na einde concurrentiebeding) in dienst treden bij FI&S, maar niet in zijn gewenste binnenlandse verkoopfunctie (door het relatiebeding tot 1 maart 2021). Dat deze situatie zich voor zou kunnen doen was – gelet op de verschillende termijnen voor het concurrentie- respectievelijk relatiebeding – voorzien ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter is gelet daarop van oordeel dat het bestaan van onvoorziene omstandigheden niet aannemelijk is en ziet daarom geen aanleiding het relatiebeding geheel of gedeeltelijk te schorsen.