Rechtspraak
Feiten
Verzoekster is laatstelijk werkzaam als administratief medewerker. Zij meldt zich op 6 februari 2018 ziek. Op dat moment ontvangt zij een WW-uitkering. Met ingang van 8 mei 2018 wordt verzoekster in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de ZW. In het kader van een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling vindt een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaats. Vervolgens beëindigt het UWV bij besluit van 18 januari 2019 de ZW-uitkering van verzoekster per 6 maart 2019 , omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van verzoekster en het tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep worden ongegrond verklaard. Verzoekster stelt hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzoekt tevens tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe dat het UWV, in afwachting van het definitieve oordeel van de Raad over het door verzoekster ingestelde hoger beroep, de betaling van de ZW-uitkering met terugwerkende kracht hervat.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb, uitspraak doen zonder zitting. De voorzieningenrechter acht het, gelet op de uitzonderlijke situatie dat in verband met de uitbraak van het coronavirus en de maatregelen die de rechtspraak in verband daarmee heeft getroffen op korte termijn geen zitting kan plaatsvinden bij de Raad, aangewezen om met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak te doen.
Wat verzoekster in haar verzoek heeft aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat sprake is van een actueel spoedeisend financieel belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een financiële noodsituatie door het beëindigen van de ZW-uitkering per 6 maart 2019 door het UVW. Met een schrijven van 12 april 2020 heeft verzoekster te kennen gegeven tot op heden een WW‑uitkering te ontvangen, welke over enkele maanden zal eindigen. Voorts heeft verzoekster niet onderbouwd waarom zij na deze periode niet in aanmerking zou kunnen komen voor een uitkering op grond van de Participatiewet. Evenmin heeft verzoekster inzicht gegeven in de financiële situatie van haar echtgenoot. Verzoekster heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de intrekking van het ziekengeld in een onhoudbare financiële toestand is geraakt.