Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 19 mei 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:3930
Feiten
Werknemer is vanaf 1 januari 1991 in dienst geweest bij Stichting Wageningen Research (hierna: SWR). Partijen hebben na een arbeidsconflict onderhandeld over een regeling ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Op 4 juli 2016 is overeenstemming bereikt over beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2016. De regeling is vastgelegd in een door SWR op 5 juli 2016 opgestelde vaststellingsovereenkomst die door werknemer op 8 juli 2016 is ondertekend. Daarin is bepaald dat werknemer in geval van werkloosheid recht heeft op bovenwettelijke uitkeringen krachtens ‘De Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering DLO 2016’ en – kort gezegd – dat de duur waarover hij aanspraken aan deze regeling kan ontlenen wordt beperkt tot maximaal vier jaar te rekenen vanaf de einddatum. Bij SWR gold per 1 juli 2015 ‘De Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling DLO 2015’ (hierna: de oude regeling). Op 5 juli 2016 is een persbericht verschenen waarin staat dat SWR en de werknemersorganisaties op 4 juli 2016 overeenstemming hebben bereikt over een nieuwe cao. Onderdeel daarvan vormt de nieuwe ‘Bovenwettelijke Werkloosheidsvoorziening DLO 2016’ (hierna: de nieuwe regeling) die met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2016 van kracht is geworden. Inzet van deze procedure is de vraag of werknemer op grond van de vaststellingsovereenkomst aanspraak kan maken op bovenwettelijke uitkeringen conform de oude regeling. Op grond van de oude regeling heeft werknemer in geval van werkloosheid recht op aanvulling van zijn werkloosheidsuitkering gedurende twaalf jaar en drie maanden zonder een maximale hoogte van de uitkering. De nieuwe regeling beperkt de duur van aanvulling voor werknemer tot vier jaar en drie maanden en koppelt de hoogte daarvan aan een maximumdagloon. SWR meent dat de nieuwe regeling van toepassing is. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de oude regeling van toepassing is en de vorderingen van werknemer toegewezen. SWR is het daarmee niet eens en voert zes grieven aan tegen het bestreden vonnis.
Oordeel
In de vaststellingsovereenkomst is ‘De Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering 2016’ opgenomen. Tussen partijen staat in hoger beroep vast dat zij er tijdens de onderhandelingen beiden van uitgingen dat de oude regeling zou gelden voor werknemer. Op het moment van de onderhandelingen en het bereiken van overeenstemming tussen hen op 4 juli 2016 was de nieuwe regeling ook nog niet tot stand gekomen. Dat de oude regeling het uitgangspunt bij de onderhandelingen was, blijkt ook uit het feit dat partijen over die regeling een specifieke afspraak hebben gemaakt. Dit betekent echter nog niet dat de oude regeling tussen hen is overeengekomen. In de vaststellingsovereenkomst staat dat werknemer ‘in geval van werkloosheid’ recht heeft op de bovenwettelijke uitkeringen krachtens de bovenwettelijke werkloosheidsvoorziening DLO 2016. Partijen zijn het erover eens dat zij bij de onderhandelingen niet hebben geanticipeerd op het feit dat er misschien een wijziging in de bovenwettelijke werkloosheidsvoorziening zou optreden. Dat betekent dat ze niet zijn overeengekomen dat de oude regeling van toepassing zou zijn, ook als de regeling inmiddels mocht zijn veranderd. Zij hebben naar het oordeel van het hof niet meer gedaan dan feitelijk constateren dat werknemer onder de regeling in geval van werkloosheid recht heeft op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Vervolgens is opgenomen dat de uitkeringsduur beperkt wordt tot vier jaar. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat de basis van de gehoudenheid van SWR om de bovenwettelijke uitkering te betalen, ligt in de regeling zelf en niet in de vaststellingsovereenkomst. Daarin is alleen een afspraak gemaakt over de maximale duur ervan. Voor de inhoud van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering valt werknemer terug op de bovenwettelijke regeling zoals die gold op het moment dat de aanspraak ontstond, te weten het intreden van werkloosheid op 1 december 2016. In de nieuwe regeling staat dat eerdere regelingen inzake bovenwettelijke aanvullingen vervallen bij inwerkingtreding van de nieuwe regeling (op 1 juli 2016). Daarnaast is vermeld dat de nieuwe regeling van toepassing is op werknemers met een eerste werkloosheidsdag op of na 1 juli 2016. Per 1 december 2016, de datum van het einde van de arbeidsovereenkomst en van het ontstaan van de aanspraak, was de oude regeling dus vervallen en konden er op dat moment ook geen aanspraken meer uit ontstaan. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt. Het hof zal het vonnis vernietigen en de vorderingen van werknemer alsnog afwijzen.