Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 26 mei 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:4047
Feiten
Werknemer is van 1 september 1966 tot 30 juni 2010 in dienst geweest van ASR. Vanaf 31 december 2006 tot het einde van de arbeidsovereenkomst was werknemer met leeftijdsverlof. Toen werknemer met leeftijdsverlof ging, maakte hij gebruik van de hypotheekrentekortingsregeling, zoals opgenomen in de Personeelsgids. In de Personeelsgids 2002 was een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW opgenomen. In 2008 werd Nederland getroffen door een economische en financiële crisis. In verband met haar concurrentiepositie, de onder druk staande marges en de gevoelde noodzaak om de personeelskosten nog verder terug te dringen, heeft ASR eind 2009 het voornemen opgevat om de regelingen in de personeelsgids eenzijdig te wijzigen. Op 25 mei 2010 heeft ASR aan de OR haar besluit meegedeeld om de ‘regelingen personeelsproducten’ met ingang van 1 juli 2010 te wijzigen. Op 1 juli 2010 is werknemer met pensioen gegaan. Op 26 juli 2010 heeft ASR werknemer per brief geïnformeerd over de wijzigingen, omdat hij geen toegang meer had tot Infonet. Op 3 augustus 2010 is werknemer een ‘Overeenkomst van omzetting naar aflossingsvrij’ overeengekomen. Daarin is de eerdere spaarhypotheek omgezet in een aflossingsvrije hypotheek. Per brief d.d. 14 oktober 2015 heeft ASR aan werknemer bericht dat zij had doorgekregen dat werknemer met pensioen is gegaan en zij conform de overgangsregeling de personeelskorting laat vallen en hij commerciële rente moet betalen. Werknemer heeft daar bezwaar tegen gemaakt. ASR heeft gewezen op een brief d.d. 26 juli 2010 met daarin de vervatte wijziging. Werknemer heeft met de eenzijdige wijziging niet ingestemd. Uiteindelijk heeft werknemer tot 1 mei 2016 een korting op de hypotheekrente genoten. Werknemer heeft onder meer gevorderd dat ASR de hypotheekrentekorting moest nakomen. De kantonrechter heeft de vordering (gedeeltelijk) toegewezen.
Oordeel
Voorop staat dat ASR van de wijzigingsbevoegdheid ex artikel 7:613 BW gebruik heeft gemaakt gedurende het dienstverband van werknemer. De Ondernemingsraad van ASR heeft op 6 mei 2010 de wijziging doorgevoerd en op het intranet van ASR geplaatst. Weliswaar is tussen partijen niet in geschil dat werknemer toen al geen toegang meer had tot het intranet, maar dat laat onverlet dat ASR vóór 30 juni 2010 van haar wijzigingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Beoordeeld dient te worden of ASR, op grond van het wijzigingsbeding zoals vermeld in de Personeelsgids en artikel 7:613 BW, hetzij op grond van artikel 7:611 BW, hetzij op grond van artikel 6:248 lid 2 BW gerechtigd was de geldende hypotheekrentekorting, met inachtneming van een overgangsregeling, te laten vervallen. ASR heeft aangevoerd dat zij als gevolg van gewijzigde bedrijfseconomische en organisatorische omstandigheden meerdere kostenbesparende en kostenbeperkende maatregelen heeft moeten nemen om daarmee haar onderneming financieel gezond te houden en haar concurrerende en leidende marktpositie te kunnen behouden. Bij de toepassing van artikel 7:613 BW gaat het om een belangenafweging, waarbij het vereiste gewicht van de belangen van ASR bij het doorvoeren van de wijziging van de hypotheekrentekortingsregeling mede wordt bepaald door het gewicht van de belangen van werknemer die daartegenover staan. Het hof heeft hiertoe inzicht nodig in de financiële situatie van werknemer sinds 1 mei 2016. Daarnaast rust op ASR de bewijslast van haar stelling dat werknemer de brief met de (eenzijdige) wijziging heeft ontvangen. Er wordt een comparitie van partijen gelast om inlichtingen te verkrijgen.