Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 11 juni 2020
ECLI:NL:RBGEL:2020:2907
Feiten
Werkneemster werkt vanaf 1997 voor NXP Semiconductors Netherlands B.V. (hierna: NXP), laatstelijk in de functie van Supervisor Material Management Operations. Werkneemster was feitelijk werkzaam als leidinggevende van de afdeling Material Management Operations (hierna: MM). Op 18 september 2018 heeft werkneemster zich vanwege privéomstandigheden ziek gemeld. In oktober 2018 hebben werknemers van MM bij de leiding van NXP hun beklag gedaan over de manier waarop werkneemster leiding gaf. Op 5 november 2018 heeft naar aanleiding van die klachten een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster, haar leidinggevende en HR. Werkneemster en NXP zijn een re-integratietraject ingegaan. Na correspondentie over en weer heeft werkneemster het plan van aanpak niet ondertekend. De bedrijfsarts heeft onder meer mediation geadviseerd. Op 7 april 2019 hebben negentien medewerkers van MM een klacht ingediend. De bezwaarcommissie heeft na onderzoek en hoor en wederhoor op 7 juli 2019 geconcludeerd dat de klacht van de medewerkers richting werkneemster gegrond is. Werkneemster is eind 2019 begonnen met het verrichten van passende werkzaamheden binnen NXP. In de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 27 december 2019 staat onder meer dat het belangrijk is dat werkneemster aan de slag gaat met een spoor 2-traject als het spoor 1-traject niet kan leiden tot een structurele functie voor werkneemster. In een e-mail van 6 januari 2020 wordt aan werkneemster gemeld dat het spoor 2-bureau VWSC is gekozen. Werkneemster liet NXP blijken het niet eens te zijn met het inzetten van spoor 2. Op 28 februari 2020 volgt de voortgangsrapportage van VWSC waarin staat dat de opdracht is teruggegeven. Per brief van 4 maart 2020 heeft NXP werkneemster bericht dat haar loonbetaling stop wordt gezet. Bij wijze van voorlopige voorziening vordert werkneemster onder meer veroordeling van NXP om haar toe te laten tot haar eigen werk en haar in dat werk te laten re-integreren.
Oordeel
In de eerste plaats heeft NXP voldoende aannemelijk gemaakt dat de verhouding tussen werkneemster en NXP onherstelbaar is verstoord. Redengevend zijn de volgende factoren die in dit kort geding aannemelijk zijn geworden. Ten eerste heeft de gehele afdeling MM een officiële klacht ingediend tegen werkneemster en de bezwaarcommissie heeft deze klacht gegrond geacht. Ten tweede is de afdeling MM gevraagd of er bereidheid was om met werkneemster een mediationtraject in te gaan, maar dat wilde de afdeling niet. Ten derde zou er een collectieve ziekmelding volgen als werkneemster weer terug zou keren als leidinggevende. Tot slot staat vast dat werkneemster een diep wantrouwen heeft ontwikkeld jegens NXP. Onder meer blijkt dit uit het feit dat werkneemster geheime opnames heeft gemaakt van verschillende gesprekken binnen NXP. Ook beschuldigt zij NXP van een lastercampagne tegen haar en van het ‘betalen’ van steekpenningen voor medewerkers van de afdeling MM voor hun klacht, zo blijkt uit een andere klachtprocedure bij de klachtadviescommissie. Dat werkneemster ondanks bovengenoemde feiten terugkeer naar haar plek als leidinggevende van de afdeling MM eist, is niet terecht. Dat zij daaraan onverkort vasthoudt, verklaart dat zij niet heeft meegewerkt aan het tweedespoortraject. Dit volgt uit de voortgangsrapportage van 28 februari 2020 van VWSC waarin staat dat de opdracht is teruggegeven. Een van de oorzaken daarvan was dat werkneemster VWSC telkens verzocht om aanpassingen door te voeren in het concepttrajectplan. VWSC, die uitsluitend tot doel had om een tweedespoortraject op te zetten en te doorlopen, wilde dit niet doen. NXP heeft vervolgens per e-mail van 27 maart 2020 aan werkneemster bericht dat de loonstop alleen zou worden opgeheven als werkneemster erkent dat de discussie over terugkeer buiten het tweedespoortraject staat en zij zich onvoorwaardelijk committeert aan het tweedespoortraject. Werkneemster heeft daar niet op geantwoord. Dat is op zich al redengevend voor het oordeel dat werkneemster zich niet voldoende heeft ingespannen voor een succesvol tweedespoortraject. Werkneemster heeft bovendien geen second opinion als bedoeld in artikel 7:629a BW aangevraagd. Werkneemster heeft de kans om haar stelling dat zij wel voldoende heeft meegewerkt aan het tweedespoortraject daardoor niet onderbouwd. Uit bovenstaande volgt dat voorshands aannemelijk is dat werkneemster niet heeft voldaan aan haar medewerkingsverplichting inzake artikel 7:660a lid 1 BW, zodat NXP gerechtigd was op grond van artikel 7:629 lid 3 aanhef en onder d BW te stoppen met het betalen van loon. De slotsom is dat alle vorderingen van werkneemster worden afgewezen.