Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 28 mei 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:4183
Feiten
Betreft een proces-verbaal van mondelinge uitspraak (vonnis). Werkneemster is op 1 juni 2016 bij RVM in dienst getreden. Werkneemster verzoekt om RVM te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter is het eens met werkneemster dat het dienstverband door RVM is opgezegd en beëindigd per 22 november 2019. X heeft namelijk in een e-mail van 22 november 2019 aan werkneemster meegedeeld dat “wij (...) het dienstverband per heden (22 nov. 2019) beëindigen”. Werkneemster kon en mocht deze e-mail opvatten als een opzegging van de arbeidsovereenkomst door RVM, omdat de bewoordingen daarvan luid en duidelijk zijn. Werkneemster mocht er bovendien op vertrouwen dat X bevoegd was het dienstverband te beëindigen. RVM kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij de opzegging van 22 november 2019 later heeft ingetrokken of ongedaan heeft willen maken. RVM kan namelijk niet eenzijdig en zonder instemming van werkneemster terugkomen op die opzegging. De stelling van RVM dat werkneemster zelf de arbeidsovereenkomst al had opgezegd vóór 22 november 2019 is niet juist. In het Whatsapp-bericht van 21 november 2019 waarnaar RVM verwijst, deelt werkneemster mee dat zij tot februari 2020 niet meer beschikbaar is voor werkzaamheden bij RVM en maakt zij opmerkingen over het inplannen van diensten voor haar in het vervolg door RVM of door haar zelf. Die mededeling van werkneemster kan niet als een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging of beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden gezien. De opzegging door RVM van de arbeidsovereenkomst per 22 november 2019 is in strijd met de wettelijke regels en ongeldig. De vorderingen worden toegewezen, waarbij de hoogte van de billijke vergoeding wordt vastgesteld op één maandsalaris.