Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 15 mei 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:3647
Feiten
Werknemer is met ingang van 1 oktober 2018 in dienst getreden van Mayfran Limburg B.V. (hierna: Mayfran). Bij brieven van 17 oktober, 3 december en 6 december 2019 heeft Mayfran aan werknemer schriftelijke waarschuwingen gegeven omdat werknemer zich te laat heeft ziekgemeld, de werkvloer verliet zonder zich af te melden en tijdens werktijd met zijn mobiele telefoon in plaats van de werkzaamheden bezig was. Mayfran heeft werknemer op vrijdag 6 december 2019 naar huis gestuurd en met hem afgesproken dat met hem op maandag 9 december 2019 een gesprek zou plaatsvinden over zijn gedrag en houding. Werknemer heeft zich op 9 december 2019 ziek gemeld. Bij brief van 9 december 2019 heeft Mayfran aan werknemer meegedeeld dat zijn loon wordt opgeschort. Werknemer heeft bij de arbodienst gemeld niet in staat te zijn om werkzaamheden te verrichten. Bij e-mail van 5 februari 2020 heeft de arbodienst van Mayfran werknemer uitgenodigd voor een telefonisch consult met de bedrijfsarts op 27 februari 2020. Dit consult heeft plaatsgevonden en werknemer heeft Mayfran gesommeerd tot betaling van het achterstallige loon. Bij e-mail van 18 maart 2020 heeft Mayfran werknemer medegedeeld dat de loonbetaling met ingang van 27 februari 2020 zal worden hervat, maar niet over de periode daarvoor omdat werknemer de schriftelijke instructie om zich te laten controleren door de bedrijfsarts vanaf 9 december 2019 niet heeft opgevolgd. Werknemer vordert in kort geding betaling van dit achterstallige loon.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid zal worden geoordeeld dat werknemer over de periode 9 december 2019 tot 27 februari 2020 recht heeft op het overeengekomen loon. Mayfran heeft ten onrechte de betaling van het loon met ingang van 9 december 2019 opgeschort. De kantonrechter begrijpt dat Mayfran grote twijfels had of werknemer met ingang van die dag daadwerkelijk als gevolg van ziekte niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Het ligt in een dergelijk geval op de weg van de werkgever om dan via zijn arbodienst de (gestelde) arbeidsongeschiktheid zo spoedig mogelijk te laten beoordelen. De twijfel is op zichzelf genomen geen goede grond voor opschorting. Op 9 december 2019 bestond geen grond voor opschorting ex artikel 7:629 BW. Er was immers geen sprake van de situatie dat werknemer zich op dat moment reeds niet had gehouden aan een redelijk voorschrift van Mayfran. Dat voorschrift werd immers pas op 9 december 2019 gegeven. Mayfran kan niet volstaan met een blote betwisting dat werknemer na 9 december 2019 geen contact heeft geprobeerd op te nemen met de arbodienst. Werknemer heeft immers aangetoond dat hij dit op 10 en 12 december geprobeerd heeft. Voor zover Mayfran werknemer verwijt dat hij daarna geen contact met de arbodienst heeft opgenomen, moet dat verwijt verworpen worden. Het initiatief lag op dat moment bij de arbodienst. Hieruit volgt dat niet valt in te zien waarom Mayfran werknemer opnieuw heeft medegedeeld dat zij de loonbetaling staakt. De gedragingen van werknemer na 9 januari 2020 behoeven geen verdere bespreking omdat Mayfran na die datum niet meer schriftelijk aan werknemer heeft medegedeeld dat de loonbetaling wordt opgeschort. Verder komt de gestelde onzekerheid over de arbeidsongeschiktheid van werknemer voor risico van Mayfran. Op grond van voorgaande overwegingen zal Mayfran worden veroordeeld tot betaling van het loon over de periode van 9 december 2019 tot 27 februari 2020. De loonvordering wordt derhalve toegewezen. Gelet op het partijdebat bestaat er op dit moment te veel onzekerheid over het antwoord op de vraag of werknemer met ingang van 1 februari 2020 nog recht heeft op een tweeploegentoeslag. Dit deel van zijn vordering wordt daarom afgewezen.