Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 juni 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:1986
Feiten
Werkneemster is op 1 februari 2000 in dienst getreden bij werkgever. Uit hoofde van dat dienstverband is zij deelnemer aan de pensioenregeling die door ASR Nederland N.V. (hierna: ASR) wordt uitgevoerd. Van die regeling maken een arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP) en een WAO-aanvullingspensioen (WAP) onderdeel uit. Het arbeidsongeschiktheidspensioen van werkneemster is ingegaan op 7 november 2001 op basis van volledige arbeidsongeschiktheid (80-100%). Bij brief van 1 december 2006 heeft ASR werkneemster laten weten dat de uitkering van het arbeidsongeschiktheidspensioen ten bedrage van € 2.750,16 bruto per maand vanaf 1 januari 2007 rechtstreeks aan haar wordt overgemaakt. Werkneemster is er in deze brief op gewezen dat wijzigingen in de mate van haar arbeidsongeschiktheid terstond aan ASR gemeld moeten worden. Bij beschikking van 23 november 2006 is het arbeidsongeschiktheidspercentage van werkneemster per 23 januari 2007 verlaagd naar 65 tot 80%. ASR heeft werkneemster bij brief van 21 september 2018 laten weten dat zij te veel arbeidsongeschiktheidspensioen heeft ontvangen. Het gaat om een bedrag van € 106.811. ASR heeft een bedrag van € 46.135,58 teruggevorderd van werkneemster, te voldoen in maandelijkse termijnen van € 1.000. Werkneemster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Partijen hebben veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd om tot een oplossing te komen. In dat kader heeft ASR aangeboden haar vordering te halveren tot € 23.067,79. Werkneemster is hier niet mee akkoord gegaan. Partijen twisten over de vraag of ASR bevoegd is om het arbeidsongeschiktheidspensioen te verlagen en het volgens haar onverschuldigd betaalde van werkneemster terug te vorderen.
Oordeel
Verjaring en klachtplicht
ASR heeft bij brief van 21 september 2018 aanvankelijk aanspraak gemaakt op terugbetaling van onverschuldigd uitgekeerd pensioen vanaf 1 februari 2007. Bij brief van 7 februari 2019 heeft zij haar vordering beperkt tot € 46.135,58 over de periode van 1 september 2013 tot 1 september 2018. Gelet op de in artikel 3:309 BW opgenomen termijn van vijf jaar is van verjaring van (een deel van) de vordering derhalve geen sprake. Naar het oordeel van de kantonrechter is artikel 6:89 BW (klachtplicht) niet geschreven voor een tekortkoming die zou bestaan uit het niet doorgeven van een gewijzigd arbeidsongeschiktheidspercentage door een deelnemer aan een pensioenregeling bij een pensioenverzekeraar.
Gerechtvaardigd vertrouwen
ASR was in beginsel gerechtigd om de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen te corrigeren toen zij ontdekte dat zij te veel betaalde. Voor een geslaagd beroep op een gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW is vereist dat werkneemster gerechtvaardigd heeft vertrouwd op een rechtshandeling van ASR. De kantonrechter is van oordeel dat de brief van 1 december 2006 niet kan worden gezien als een rechtshandeling van ASR op grond waarvan werkneemster er op mocht vertrouwen dat ASR handelde met de bedoeling om aan haar een hoger arbeidsongeschiktheidspensioen toe te kennen dan waarop zij op grond van het pensioenreglement recht had. Een recht op een bepaalde pensioenuitkering vloeit niet voort uit correspondentie, uit het pensioenreglement. Werkneemster kan zich er niet met succes op beroepen dat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij ook na 1 februari 2007 recht had op het in de brief van 1 december 2006 genoemde bedrag aan arbeidsongeschiktheidspensioen. ASR mocht de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen dan ook corrigeren per 1 september 2018.
Redelijkheid en billijkheid
Hoewel de oorzaak van de toekenning van het te hoge arbeidsongeschiktheidspensioen ligt in de invloedssfeer van werkneemster, is het duidelijk dat werkneemster ASR niet bewust onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd. Uit het mutatiebericht had ASR kunnen (en dus moeten) concluderen dat vóór 10 juni 2012 sprake moest zijn geweest van een lager arbeidsongeschiktheidspercentage, en dat het aan werkneemster betaalde pensioen dus te hoog moest zijn geweest. Het heeft daarna echter nog jaren geduurd voordat ASR nader onderzoek heeft verricht en na de uitkomst daarvan tot verlaging van het arbeidsongeschiktheidspensioen is overgegaan. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden leidt terugbetaling van € 46.135,58 aan onverschuldigd betaalde bedragen over de periode vanaf 1 september 2013 tot 1 september 2018 naar het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbare uitkomst. Gelet op het feit dat werkneemster gedurende ruim elf jaar een hoger arbeidsongeschiktheidspensioen heeft genoten dan waarop zij recht had, acht de kantonrechter terugbetaling van een bedrag van € 23.067,79 redelijk. De kantonrechter sluit hiervoor aan bij het door ASR in een eerdere fase aangeboden en toen redelijk bevonden bedrag.