Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 8 juni 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:4051
Feiten
Werkneemster is sinds 1977 in dienst van Movare. Op 18 november 2019 is werkneemster uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid. Sindsdien werkt werkneemster op therapeutische basis en geeft vervangster X als vervangster les aan groep 8a. Werkneemster zal per 1 september 2020 met “keuzepensioen” gaan. In februari 2020 heeft werkneemster de resultaten van de afgenomen (cito)toets ingevoerd in het systeem. Bij controle van de toetsresultaten is gebleken dat bij 18 leerlingen minder fouten waren ingevoerd dan X op de formulieren had ingevuld. Op 17 februari 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster, de directeur en de juridisch beleidsadviseur. Aan werkneemster is medegedeeld dat de geconstateerde feiten reden zijn om haar op staande voet te ontslaan en zij hebben haar verzocht om uiterlijk 20 februari 2020 schriftelijk te bevestigen dat zij vervroegd per 1 april 2020 met keuzepensioen gaat. Werkneemster heeft dit geweigerd. Bij e-mail d.d. 21 februari 2020 heeft Movare aan werkneemster medegedeeld dat zij met onmiddellijke ingang geschorst is in afwachting van het onderzoek. Werkneemster heeft Movare gesommeerd haar toe te laten tot haar werkzaamheden. Per e-mail d.d. 4 maart 2020 heeft Movare aan werkneemster medegedeeld dat is besloten de arbeidsovereenkomst in stand te laten tot 1 september 2020 en dat werkneemster vrijgesteld wordt van het verrichten van haar werk en niet meer zal worden toegelaten tot het werk. Werkneemster vordert wedertewerkstelling en rehabilitatie.
Oordeel
Uitgangspunt is dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) de werknemer de gelegenheid dient te geven de bedongen arbeid te verrichten. Slechts als de werkgever daarbij een zwaarwichtig belang heeft, kan hij de werknemer de mogelijkheid onthouden de overeengekomen arbeid te verrichten. Dat zwaarwichtige belang heeft Movare niet gesteld. Haar betoog dat (samengevat) inhoudt dat het gedrag van werkneemster eigenlijk tot ontslag op staande voet had moeten leiden, is op zichzelf genomen onvoldoende om een zwaarwichtig belang aan de kant van Movare te veronderstellen. De consequentie van de keuze om werkneemster niet op staande voet te ontslaan is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen blijft bestaan tot 1 september 2020 en dat Movare als goed werkgever in beginsel werkneemster dient toe te laten tot haar werkzaamheden. De vordering tot wedertewerkstelling wordt toegewezen. De vordering tot rehabilitatie wordt afgewezen, omdat vast staat dat werkneemster fouten heeft gemaakt, ook al zijn die fouten onopzettelijk gemaakt.