Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 9 april 2019
ECLI:NL:RBGEL:2019:6341
Feiten
Werkneemster is sinds de oprichting werkzaam voor de Theatergroep. In het najaar van 2018 is tussen de artistiek en de zakelijk directeur een verschil van inzicht ontstaan. Het bestuur van de Theatergroep heeft medio december 2018 Adviesgroep verzocht een onderzoek in te stellen naar de bronnen van onrust. Bij brief d.d. 6 februari 2019 heeft de Theatergroep aan werkneemster kenbaar gemaakt dat zij op basis van het rapport heeft besloten om werkneemster op non-actief te stellen tot 1 juni 2019. Werkneemster heeft nog dezelfde dag aan het bestuur geschreven dat en waarom zij zich niet kon vinden in de op non-actiefstelling. Op 13 februari 2019 hebben partijen in het bijzijn van hun gemachtigden getracht tot een oplossing te komen. Partijen zijn er (op meer punten) niet uitgekomen en de gemachtigde van werkneemster heeft op 18 februari 2019 de Theatergroep verzocht en gesommeerd haar met onmiddellijke ingang in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden te hervatten. De Theatergroep heeft dit geweigerd. Werkneemster vordert wedertewerkstelling.
Oordeel
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Theatergroep er goed aan heeft gedaan om een onderzoek in te stellen naar de onrust binnen de Theatergroep. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had de Theatergroep echter onvoldoende zwaarwegend belang bij de op non-actiefstelling. Zij had een andere vorm van interventie kunnen en moeten toepassen om de verhoudingen tussen de medewerkers en werkneemster recht te trekken. Door werkneemster op non-actief te stellen heeft de Theatergroep minst genomen de indruk gewekt in deze kwestie partij te hebben gekozen, waardoor de positie van werkneemster in de organisatie (verder) onder druk is komen te staan. Daaraan heeft ook bijgedragen dat de Theatergroep ervoor heeft gekozen om alle betrokkenen inzage te geven in het eerste rapport en gelegenheid te geven om dat van commentaar te voorzien, waar op voorhand nog aan alle werknemers werd gegarandeerd dat in volstrekte vertrouwelijkheid zou worden gerapporteerd. Hoewel dit de Theatergroep valt aan te rekenen, is de huidige situatie naar het oordeel van de kantonrechter dusdanig dat wedertewerkstelling zonder voorafgaande mediation redelijkerwijs alleen tot een verdere verslechtering van de verhoudingen kan leiden, hetgeen in niemands belang is. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de slotsom dat de Theatergroep thans wel een voldoende zwaarwegend belang heeft om werkneemster tot 1 juni 2019 van werkhervatting af te houden, ervan uitgaande dat partijen die periode gebruiken voor mediation.