Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/BSO
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 29 mei 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:2224
Werkgever heeft werknemer niet tijdig schriftelijk geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. En de arbeidsovereenkomst is vervolgens na het einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet voortgezet. Daarom is werkgever een aanzegvergoeding en transitievergoeding verschuldigd.

Feiten

Werkneemster is sinds 27 november 2017 in dienst van BSO. Op 27 mei 2019 is de arbeidsovereenkomst verlengd tot 27 november 2019. Op 24 november 2019 heeft werkneemster aan BSO een e-mail gestuurd met een voorstel om vanaf 27 november 2019 door te werken tot en met 19 december 2019. Hierover zijn diverse gesprekken gevoerd. Uiteindelijk geeft werkneemster aan dat zij geen reactie heeft ontvangen en dat haar contract daarom per 26 november 2019 is geëindigd. BSO geeft hierop echter aan dat zij wel in dienst is tot en met 19 december 2019. BSO heeft na een verzoek daartoe het loon over november 2019 betaald en een eindafrekening verstrekt. BSO heeft geweigerd de gevraagde aanzeg- en transitievergoeding uit te betalen, waarna werkneemster deze procedure is gestart.

Oordeel

Aanzegvergoeding

BSO erkent dat zij werkneemster op 27 oktober 2019, een maand voordat de arbeidsovereenkomst zou eindigen, nog niet schriftelijk had geïnformeerd over het voortzetten van de arbeidsovereenkomst.  BSO voert het verweer dat zij vanaf 26 september 2019 meerdere malen aan werkneemster mondeling kenbaar heeft gemaakt dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou worden voortgezet en dat werkneemster hierop heeft geantwoord dat zij hiermee akkoord ging. Werkneemster heeft dit uitdrukkelijk betwist. De kantonrechter oordeelt dat de door BSO verstrekte werkgeversverklaring niet als aanzegging kan worden aangemerkt en ook het feit dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wel ‘klaargemaakt’ maar nog niet aan werkneemster overhandigd was, kan niet als schriftelijke aanzegging dienen. 

Nu BSO werkneemster niet schriftelijk heeft geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, is BSO haar een aanzegvergoeding verschuldigd. Werkneemster heeft de aanzegvergoeding gesteld op € 921,80 bruto. BSO heeft deze stelling niet betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van dit bedrag.

Transitievergoeding

De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet op verzoek van werkneemster is geëindigd, maar dat de arbeidsovereenkomst na het einde van rechtswege op 27 november 2019 op initiatief van BSO niet aansluitend is voortgezet en dat vóór het eindigen van de arbeidsovereenkomst op initiatief van BSO geen nieuwe opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan. Hieruit volgt dat BSO een transitievergoeding is verschuldigd. Tegen de door werkneemster gestelde hoogte van de transitievergoeding is door BSO geen verweer gevoerd, zodat het gevorderde bedrag van € 619 zal worden toegewezen.