Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 13 februari 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:5265
Feiten
Werknemer is sinds 18 oktober 2007 in dienst bij Aegon Nederland N.V. (hierna: werkgever), laatstelijk in de functie van Bedrijfsjurist SBA3. Aangezien werknemer in twee opeenvolgende jaren de beoordeling ‘redelijk’ kreeg, heeft werkgever een verbeterplan opgesteld, dat werknemer op 27 juni 2018 onder protest getekend heeft. De eindevaluatie van het verbetertraject vond plaats op 12 februari 2019, met als conclusie dat het verbetertraject niet tot de gewenste verbetering heeft geleid. Kort na de eindevaluatie van het verbetertraject volgde de beoordeling over 2018. Werknemer heeft voor zijn prestaties in 2018 een onvoldoende gekregen, omdat geconcludeerd werd dat het verbetertraject niet tot de gewenste verbetering heeft geleid. Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op de d-grond.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat werkgever voldoende heeft onderbouwd dat het werknemer ontbreekt aan de vereiste vaardigheden, die benodigd zijn voor zijn functie op het niveau van bedrijfsjurist SBA3 en dat hij niet in staat is gebleken zich die vaardigheden in de loop der jaren en gedurende het verbetertraject eigen te maken. Dit betreft de in het verbeterplan genoemde verbeterpunten, die naar het oordeel van de kantonrechter geen onredelijke eisen bevatten en aansluiten bij de functieomschrijving van werknemer. Doorslaggevend daarbij zijn de in het geding gebrachte beoordelingen, verslagen van voortgangsgesprekken, e-mails met feedback, het verbeterplan en de vele verslagen die tijdens het verbetertraject zijn gemaakt. Uit die stukken blijkt dat werknemer veelvuldig is aangesproken op het verbeteren van voor zijn functie essentiële competenties, zoals het nakomen van afspraken, het stellen van haalbare deadlines en het nakomen daarvan, het deugdelijk inschatten van de omvang en complexiteit van de werkzaamheden en het leveren van goed onderbouwde en praktisch bruikbare adviezen. Ook is hij aangesproken op zijn opstelling en blijkt tevens van het onvermogen van werknemer om te gaan met feedback. Op elk punt dat werkgever aankaart, komt een uitvoerig weerwoord, wordt de gegeven feedback ontkend of gebagatelliseerd en volhardt werknemer in ontkenning. Die opstelling staat eraan in de weg dat op een constructieve manier kan worden gewerkt aan verbetering en van werkgever kan in redelijkheid ook niet verlangd worden om voortdurend met werknemer in discussie te gaan en te blijven. Waar werknemer als verweer voert dat zijn disfunctioneren uitsluitend is gebaseerd op het subjectieve oordeel van zijn leidinggevende en dat zijn leidinggevende onvoldoende open heeft gestaan voor positieve input van anderen, wordt dit weersproken door de door de manager gemaakte zeer uitgebreide, kritische, maar opbouwend geformuleerde verslagen, waarin ook positieve punten worden benoemd. Die verslagen roepen bij de kantonrechter geenszins het beeld op dat de manager een irreële en te nauwe perceptie heeft van (het functioneren van) werknemer. De verslagen geven blijk van een genuanceerd en consistent beeld waarbij niet enkel wordt toegeschreven naar een negatieve einduitkomst. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer onvoldoende heeft laten zien te beschikken over het vermogen tot zelfreflectie en – als gevolg daarvan – leervermogen, waardoor hij onvoldoende in staat is gebleken bepaalde, voor een goede uitoefening van de functie van Bedrijfsjurist SBA3 noodzakelijke vaardigheden te verbeteren. Dit alles leidt ertoe dat de arbeidsovereenkomst wegens ongeschiktheid voor de functie (de d-grond) zal worden ontbonden.