Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 juni 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:1505
Feiten
Werknemer is op of voor 1 april 2018 in dienst getreden van WasseretteAmsterdam.nl B.V. (hierna: Wasserette) in de functie van wasser. Op 23 oktober 2018 heeft Wasserette werknemer weggestuurd van de plaats waar hij zijn werkzaamheden verrichtte. Sinds november 2018 heeft zij hem geen loon meer betaald. Van 23 oktober 2018 tot 14 november 2018 is werknemer opgenomen geweest in het OLVG-ziekenhuis in Amsterdam. Volgens het verslag dat met betrekking tot die opname door de behandeld arts is opgemaakt, is hij op eerstgenoemde datum op straat aangetroffen, liggend en kreunend met klachten van buikpijn. Het verslag vermeldt als medische voorgeschiedenis alcoholmisbruik en als conclusie levercirrose. Na zijn ziekenhuisopname heeft werknemer niet meer voor Wasserette gewerkt. Kern van het onderhavige geschil is de vraag of Wasserette verplicht is achterstallig loon aan werknemer te betalen. In eerste aanleg zijn de vorderingen van werknemer tot betaling van loon vanaf november 2018 afgewezen, omdat, samengevat, zonder nader onderzoek en bij gebrek aan voldoende onderbouwing in het onderhavige kort geding geen antwoord kon worden gegeven op de vraag of Wasserette werknemer op 23 oktober 2018 terecht van het werk had weggestuurd en daarna terecht de betaling van het loon had stopgezet. Werknemer keert zich in hoger beroep tegen deze beslissing en stelt ernstig ziek te zijn en recht te hebben op loondoorbetaling op grond van artikel 7:629 BW.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Uit het bestreden vonnis blijkt dat Wasserette in eerste aanleg tot verweer heeft aangevoerd dat zij werknemer op 23 oktober 2018 niet van het werk heeft weggestuurd wegens ziekte, maar omdat Wasserette was gebleken dat hij niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning aangezien de hem eerder verleende verblijfsvergunning was verlopen, en dat werknemer daardoor niet langer gerechtigd was in Nederland werkzaam te zijn. In hoger beroep heeft werknemer niet bestreden dat Wasserette dit verweer daadwerkelijk heeft gevoerd en evenmin heeft hij de gegrondheid daarvan bestreden. Blijkens de door hem in hoger beroep overgelegde bescheiden heeft werknemer de Indiase nationaliteit, zodat het Wasserette op grond van artikel 2 lid 1 Wet arbeid vreemdelingen verboden was werknemer in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning zoals in die bepaling bedoeld. In de stellingen van werknemer in hoger beroep ligt besloten dat het Wasserette vanaf 7 december 2018 niet langer verboden was werknemer arbeid te laten verrichten, omdat hij sinds die datum beschikt over een verblijfvergunning met aantekening waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Wet arbeid vreemdelingen moet het er daarom voor worden gehouden dat werknemer vanaf 7 december 2018 is uitgezonderd van het in artikel 2 lid 1 van die wet neergelegde verbod. Hieruit volgt echter niet zonder meer dat Wasserette verplicht is hem vanaf die datum loon te betalen, ook niet als ervan wordt uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 23 oktober 2018 is blijven bestaan. Niet alleen staat buiten kijf dat werknemer na laatstgenoemde datum geen arbeid voor Wasserette heeft verricht en blijkt uit niets dat hij zich daartoe op of na 7 december 2018 bereid heeft verklaard, ook blijkt uit het bestreden vonnis dat Wasserette in eerste aanleg heeft betwist dat werknemer na de ziekenhuisopname nog ziek was. Werknemer heeft geen verklaring van een deskundige zoals bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW overgelegd waaruit blijkt dat hij sinds 7 december 2018 als gevolg van ziekte verhinderd is geweest de overeengekomen arbeid te verrichten. Een zodanige verhindering volgt evenmin uit het met betrekking tot zijn ziekenhuisopname opgemaakte medische verslag en werknemer heeft die verhindering wegens ziekte anderszins niet onderbouwd, zodat voorshands niet van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. Het bestaan van de ingestelde loonvorderingen, met nevenvorderingen, is aldus onvoldoende aannemelijk geworden. Afwijzing van de vorderingen volgt.