Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 3 december 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:10328
Feiten
Werknemer was tot 1 november 1991 werkzaam bij een onderdeel van Philips, het Architecten- en Ingenieursbureau (AIB). AIB is per 1 november 1991 overgegaan naar DHV Bouw en Industrie B.V. (DHV). Werknemer is vanaf 1 november 1991 tot aan zijn pensioen op 1 november 2010 bij DHV in dienst geweest. Vanaf 1 november 2010 ontvangt werknemer een ouderdomspensioen. Werknemer heeft gedurende zijn dienstverband met AIB en DHV pensioen opgebouwd. Dit pensioen is ondergebracht bij Stichting Pensioenfonds HaskoningDHV (hierna: het Pensioenfonds). In dat kader zijn afspraken gemaakt tussen Philips, DHV Beheer B.V. en bij de Philips cao’s betrokken vakorganisaties. Werknemer heeft er, net als circa 102 oud-collega’s bij AIB, bij de overgang van AIB naar DHV voor gekozen om de waarde van zijn pensioenaanspraken – betreffende pensioen over de periode van 60 tot 65 jaar (hierna: Deel A) en pensioen over de periode vanaf 65 jaar (hierna: Deel B) – over te dragen naar het Pensioenfonds. Met die collectieve waardeoverdracht is Deel A door het Pensioenfonds apart gezet ten behoeve van de toenmalige VUT-regeling bij DHV en is Deel B vertaald in aanspraken op ouderdomspensioen. Per 1 januari 1995 is de pensioenregeling bij DHV, met instemming van de Centrale Ondernemingsraad, uitgebreid met de Tijdelijke Ouderdomspensioenregeling (hierna: de TOP-regeling) die is uitgevoerd door het Pensioenfonds. Werknemer is van mening dat het Pensioenfonds op onjuiste wijze is omgegaan met Deel A en dat het Pensioenfonds de TOP-regeling op onjuiste wijze heeft uitgevoerd. Werknemer verwijt het Pensioenfonds in de kern dat zijn pensioenuitkering te laag is, omdat hem bij de omzetting van de VUT-regeling naar de TOP-regeling 3,1667 TOP-deelnemersjaren te weinig zijn toegekend.
Oordeel
Het hof is van oordeel dat uit de afspraken volgt dat het Pensioenfonds Deel A mocht aanwenden voor de financiering van de VUT-uitkering en daarmee gelijk te stellen regelingen, zoals het gerechtshof Amsterdam ook heeft overwogen op 28 april 2005 in de zaak van een oud-collega AIB’er van werknemer. Uit de afspraken blijkt immers dat Deel A wordt ingezet om deelname van de oud AIB-medewerkers aan de vervroegde uittredingsregeling van DHV mogelijk te maken. Uit de afspraken blijkt niet dat het Pensioenfonds gehouden was om Deel A tot dat moment ‘op de plank’ te laten liggen om dit (op het moment waarop duidelijk was of werknemer al dan niet gebruik zou maken van een prepensioenregeling) om te zetten in een premievrij recht op ouderdomspensioen, dat vanaf 1 november 1991 tot aan de pensioengerechtigde leeftijd moet worden geïndexeerd conform de salarisontwikkeling met een gekoppeld partnerpensioen van 76%. Bij DHV hebben achtereenvolgens de VUT-, TOP- en prepensioenregeling gegolden ten aanzien van de mogelijkheid van vervroegde pensionering. Het Pensioenfonds heeft Deel A aangewend voor de financiering van deze opeenvolgende regelingen en bij de omzetting van de ene in de andere regeling berekeningen van de waarde van Deel A laten maken door actuarissen. Omdat werknemer geen gebruik gemaakt heeft van een van de regelingen en heeft doorgewerkt tot zijn pensioengerechtigde leeftijd, zijn de door hem opgebouwde prepensioenrechten in 2006 omgezet in een (levenslang) ouderdomspensioen. Uit de door het Pensioenfonds overgelegde berekening blijkt dat werknemer bij de omzetting van de (tot 1 januari 1995 verworven) VUT-aanspraken in TOP-rechten een ‘vliegende start’ van vier jaar en twee maanden aan TOP-rechten ontving, zodat hij bij het bereiken van de TOP-gerechtigde leeftijd van 62 een volledige TOP-uitkering zou kunnen ontvangen. Deze vliegende start is gefinancierd uit Deel A. Vervolgens heeft werknemer vanaf 1 januari 1995 tot 1 januari 2006, in welk jaar hij besloot door te werken tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd, uit hoofde van zijn dienstverband bij DHV nog elf deelnemersjaren opgebouwd. Uit de toelichting bij de berekening blijkt dat de beide TOP-aanspraken, in totaal vijftien jaar en twee maanden, zijn omgezet in ouderdomspensioen. Het hof kan daarom niet inzien dat aan werknemer te weinig TOP-rechten zouden zijn toegekend en dat hij hier bovenop nog 3,1667 TOP-deelnemersjaren zou moeten krijgen, zoals hij vordert. De omstandigheid dat werknemer geen gebruik heeft gemaakt van de TOP-regeling maakt niet dat hij in dezelfde positie verkeert als de groep zonder Deel A en dat hij daarom (achteraf bezien) aanspraak zou hebben op een gratis ‘vliegende start’.