Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 24 juni 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:4911
Feiten
Werknemer is sinds 1 september 2018 in dienst bij Cardis Koeriers (hierna: Cardis) in de functie van chauffeur. De arbeidsovereenkomst is voor bepaalde tijd aangegaan en na afloop daarvan tweemaal verlengd. De laatste verlenging liep van 1 september 2019 tot en met 29 februari 2020. Op 12 februari 2020 is werknemer op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief worden als dringende redenen voor het ontslag genoemd dat werknemer werk heeft geweigerd, gedreigd heeft met de auto tegen een boom aan te rijden en dat hij onverantwoordelijk rijgedrag heeft vertoond. Bij brief van 28 februari 2020 heeft Cardis werknemer bericht dat de arbeidsovereenkomst van werknemer eindigt op 29 februari 2020 en dat werknemer geen nieuwe arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden. Partijen twisten over de vraag of het ontslag op staande voet terecht is gegeven.
Oordeel
Ontslag op staande voet
Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen. Werknemer heeft op de zitting uitgelegd dat hij een paar keer is gecontroleerd door de douane en dat hij niet meer met in feite valse papieren met de personentrein door de tunnel wil rijden. Hij heeft commerciële vracht bij zich en hij dient gebruik te maken van de tunnel voor de vrachttrein. Op de zitting heeft Cardis erkend dat werknemer gebruikmaakt van de tunnel voor de personentrein, terwijl hij eigenlijk gebruik dient te maken van de vrachttrein. De kantonrechter begrijpt dat Cardis als werkgever een belang heeft om tegen een zo laag mogelijk tarief ritten te maken. Maar Cardis kan niet van werknemer verlangen of eisen dat werknemer in strijd met de geldende regels en op basis van valse papieren van de personentrein gebruikmaakt, terwijl vaststaat dat hij de vrachttrein behoort te gebruiken. Dat werknemer weigert om gebruik te maken van de personentrein, kan dus geen dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet. De eerdere gebeurtenissen die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet leveren evenmin een dringende reden op. Werknemer heeft gemotiveerd uitgelegd dat hij het gevaarlijk vond om na een vermoeiende werkdag van acht uur nog een rit naar Engeland te maken en dat het gevaar bestond dat hij vanwege die vermoeidheid tegen een boom zou rijden. Dat werknemer gedreigd heeft om opzettelijk met de auto tegen een boom aan te rijden, is door hem betwist en niet komen vast te staan. Ook het door Cardis gestelde onverantwoorde rijgedrag levert geen dringende reden voor een ontslag op staande voet op. In de ontslagbrief is het onverantwoorde rijgedrag niet nader geconcretiseerd. Daarnaast heeft werknemer betwist dat hij een officiële waarschuwing heeft ontvangen voor zijn rijgedrag in december 2018 en december 2019. Van een onverwijld gegeven ontslag op staande voet is in dit kader ook geen sprake. De conclusie van het bovenstaande is dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.
Vergoedingen
Cardis is gehouden aan werknemer een vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 963,49 bruto. Het verzoek om Cardis te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. Omdat is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, moet het verzoek van werknemer om toekenning van een billijke vergoeding ook worden toegewezen. De hoogte van de billijke vergoeding kan worden vastgesteld aan de hand van het verlies aan inkomen over de periode 12 februari 2020 tot en met 29 februari 2020 (€ 800 bruto). Er is in dit geval geen aanleiding om de vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding daarop in mindering te brengen, omdat het risico van het geven van een onterecht ontslag op staande voet bij Cardis ligt, mede gelet op de aard en ernst van het verwijtbare gedrag van Cardis. De kantonrechter is van oordeel dat Cardis de aanzegverplichting niet is nagekomen, nu Cardis werknemer niet schriftelijk uiterlijk een maand voor het aflopen van de bepaalde tijd heeft geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Cardis heeft werknemer op 28 februari 2020 een brief gestuurd dat 28 februari 2020 de laatste werkdag is. Dat betekent dat Cardis ook zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.372,49 bruto.