Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 24 juni 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:2418
Feiten
Werknemer is in dienst (geweest) van werkgeefster. Werkgeefster heeft werknemer op 4 december 2019 op staande voet ontslagen. In het inleidende verzoekschrift heeft werknemer onder andere verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen en hem toe te laten tot zijn werk. Partijen hebben begin maart 2020 onderhandeld over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en hebben op 5 maart 2020 per e-mail overeenstemming bereikt over de beëindigingsvoorwaarden. Partijen hebben de kantonrechter gevraagd de zaak gedurende vier weken aan te houden. Werknemer heeft vervolgens een conceptvaststellingsovereenkomst toegezonden aan werkgeefster, maar werkgeefster heeft deze niet willen ondertekenen. Werknemer verzoekt, na wijziging van zijn verzoek, het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen, alsmede te bepalen dat werkgeefster de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 5 maart 2020 dient na te komen.
Oordeel
Dagvaardingsprocedure
In het verzoekschrift heeft werknemer nakoming van de op 5 maart 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst verzocht. Hoewel de vaststellingsovereenkomst is gesloten in het kader van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is het verzoek naar het oordeel van de kantonrechter niet gegrond op hetgeen is bepaald in afdeling 9, titel 10, Boek 7 BW. Een en ander had dan ook bij dagvaarding moeten worden ingeleid. Ter comparitie heeft de kantonrechter dan ook op grond van artikel 69 lid 2 Rv bevolen dat de procedure in de stand waarin zich deze bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. Een bevel tot verbetering dan wel aanvulling van processtukken, zoals bedoeld in lid 1 van laatstgenoemd artikel, kan naar het oordeel van de kantonrechter achterwege blijven. Partijen zijn immers verschenen ter comparitie en zijn nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld hun stellingen (eventueel) aan te passen.
Nakoming vaststellingsovereenkomst
Partijen twisten niet over het bestaan van de vaststellingsovereenkomst. Werkgeefster heeft erkend dat op 5 maart 2020 overeenstemming is bereikt, zodat de vorderingen van werknemer in die zin voor toewijzing gereed liggen. Werkgeefster heeft echter aangevoerd dat zij een grote feestzaal exploiteert waarin grote feesten worden gegeven voor zo’n 100 tot 300 gasten. Deze activiteiten liggen door de coronamaatregelen sinds 16 maart 2020 stil en er is geen enkel concreet vooruitzicht op het hervatten van de activiteiten. Gezien de omvang van de feesten worden ook per 1 juli 2020 de activiteiten niet hervat. Er zijn geen werknemers meer in de onderneming en de schuldenlast is zo aanzienlijk dat gevreesd wordt voor een faillissement. Uit dit betoog maakt de kantonrechter op dat werkgeefster bedoeld heeft te stellen dat nakoming thans niet verlangd kan worden, omdat sprake is van overmacht dan wel onvoorziene omstandigheden die nakoming op dit moment in de weg staat. Ten aanzien van het beroep op overmacht (art. 6:75 BW) oordeelt de kantonrechter dat de prestatie zelf, de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, niet belemmerd is. Het gaat om de benodigde financiële middelen die volgens werkgeefster niet voldoende voor handen zijn door de coronacrisis, wat werknemer heeft betwist. Werkgeefster heeft ter onderbouwing van haar stelling geen stukken in het geding gebracht. Of haar standpunt juist is kan echter in het midden blijven, want ook indien het voor werkgeefster als gevolg van de coronacrisis financieel zwaar is, is dit een omstandigheid die voor risico van werkgeefster komt. Betalingsonmacht ontheft haar niet van haar verplichting tot betaling jegens werknemer. Het beroep op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 lid 1 BW) slaagt evenmin. De gevolgen van de coronacrisis komen in dit geval voor rekening van werkgeefster. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van werknemer toegewezen. De vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, nu is gebleken dat reeds overeenstemming was bereikt over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020.