Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 3 juli 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:2566
Toewijzing vordering tot wedertewerkstelling op non-actief gestelde manager. In ontbindingsprocedure is geoordeeld dat van een voldragen g-grond geen sprake is. Daarmee heeft werknemer des te meer belang bij het oppakken van zijn werkzaamheden.

Feiten

Werknemer is met ingang van 1 augustus 2016 in dienst getreden bij werkgeefster, in de functie Head of Online (manager). Van 22 januari 2019 tot 20 januari 2020 is werknemer arbeidsongeschikt geweest. Vanaf laatstgenoemde datum is hij begonnen met re-integratie. Tijdens zijn arbeidsongeschiktheid is er een interim-manager als tijdelijke vervanger voor werknemer aangesteld. Per 30 maart 2020 heeft werknemer zich hersteld gemeld. Met ingang van die dag is hij door werkgeefster op non-actief gesteld. Per e-mailbericht is aan werknemer medegedeeld dat werkgeefster bezig is zijn werkzaamheden uit te besteden en dat door deze outsourcing zijn functie komt te vervallen. Werknemer is toen een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Werknemer is niet bereid geweest hierop in te gaan. Werknemer vordert in kort geding wedertewerkstelling.

Oordeel

De voorzieningenrechter is voorshands gebleken dat de beslissing van werkgeefster om werknemer op non-actief te stellen initieel was ingegeven door de aanstaande reorganisatie, waarbij werknemer, volgens werkgeefster, zijn baan zou verliezen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van werkgeefster ter zitting ook bevestigd dat de reorganisatie aanvankelijk de reden was voor de op non-actiefstelling, maar dat werkgeefster deze vervolgens heeft gehandhaafd vanwege de verstoorde arbeidsverhoudingen (zie ook AR 2020-0850). Ten aanzien van de gestelde op handen zijnde reorganisatie is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat dit nog onvoldoende vorm heeft gekregen om nu al een valide reden voor een op non-actiefstelling te vormen. Gebleken is dat pas in juli 2020 een bestuursvergadering zal plaatsvinden, waarop een en ander zal worden besproken, en een plan met enigszins vaste contouren ligt er vooralsnog niet. Werknemer is bovendien een werknemer die geruime tijd arbeidsongeschikt is geweest en om een werknemer vervolgens op non-actief te stellen, juist op het moment dat deze weer volledig hersteld is, getuigt allerminst van goed werkgeverschap. Vervolgens heeft werkgeefster werknemer op non-actief gehouden vanwege de inmiddels, volgens werkgeefster, onherstelbaar verstoorde arbeidsverhoudingen. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat in een andere procedure is geoordeeld dat van een voldragen g-grond voor ontbinding geen sprake is (zie AR 2020-0850). Het ontbindingsverzoek van werkgeefster is dan ook afgewezen. Dit brengt met zich dat werknemer naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter des te meer belang heeft om zijn werkzaamheden weer op te kunnen pakken. Werkgeefster heeft ook nog aangevoerd dat zij er belang bij heeft om rust te bewaren binnen de onderneming en dat het ook daarom noodzakelijk was om werknemer niet tot de werkplek toe te laten. De voorzieningenrechter is echter voorshands gebleken dat er weinig ruchtbaarheid is gegeven aan de situatie die is ontstaan tussen werknemer en werkgeefster en er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat de terugkeer van werknemer in het bijzonder een (ernstig) verstorend effect op de dagelijkse gang van zaken binnen werkgeefster zal hebben. Zoals reeds diverse malen in jurisprudentie – die ook door partijen naar voren is gebracht – is uitgemaakt, heeft de werknemer in beginsel een zwaarwegend belang bij het kunnen verrichten van de overeengekomen arbeid. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter leggen de door werkgeefster naar voren gebrachte belangen onvoldoende gewicht in de schaal, geplaatst tegenover dit zwaarwegende belang van werknemer. Toewijzing van de vordering tot wedertewerkstelling volgt.