Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 juli 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:3487
Feiten
Werkneemster, thans 25 jaar oud, is sinds 3 december 2018 in dienst bij Onderwijsstichting Esprit (hierna: Esprit). Volgens een ‘akte van benoeming’ van 4 november 2019 is werkneemster voor bepaalde tijd vanaf 1 augustus 2019 tot en met 31 juli 2020 benoemd in de functie van Leerkracht LB, voor 0,62 fte. Werkneemster is in het kader van een praktijkgericht onderzoek tevens benoemd als leerkracht voor 0,2 fte. Op de aanstelling van werkneemster is de cao VO van toepassing. In artikel 10.a.2 cao VO staat – kort gezegd – dat het gedeelte van de aanstelling dat bestaat uit tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang in verband met een project, van rechtswege vervalt, indien en voor zover deze werkzaamheden niet langer aan de werknemer worden opgedragen. Werkneemster heeft zich op 7 januari 2020 ziek gemeld. Bij e-mail van 6 februari 2020 is aan werkneemster bericht dat haar 0,2 fte-aanstelling per 1 februari 2020 wordt stopgezet, omdat werkneemster haar onderzoek nog (steeds) niet had opgestart. Werkneemster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Esprit beroept zich op de ontbindende voorwaarde uit artikel 10 cao VO en stelt dat dit gedeelte van de arbeidsovereenkomst daarmee van rechtswege is geëindigd. Esprit heeft werkneemster inmiddels laten weten dat de arbeidsovereenkomst(en) vanaf 31 juli 2020 niet wordt (worden) verlengd. Werkneemster verzoekt vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 6 februari 2020, wedertewerkstelling en doorbetaling van loon.
Oordeel
In geschil is of de arbeidsovereenkomst (van 0,2 fte) tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd. De kantonrechter oordeelt als volgt. De aktes van benoeming van werkneemster zijn arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel 7:610 BW, zodat afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 van toepassing is. Dit wettelijk stelsel van het ontslagrecht en de beschermende werking daarvan voor de werknemer brengt mee dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Tussen partijen is niet in geschil dat de bepaling van artikel 10.a.2 lid 4 van de cao kwalificeert als een ontbindende voorwaarde, zodat daarvan wordt uitgegaan. Deze voorwaarde is echter – gezien aard, inhoud en context – redelijkerwijs niet verenigbaar met het wettelijk stelsel van het ontslagrecht. Het betreft immers een voorwaarde die (volledig) afhankelijk van de wil van Esprit intreedt. Het al dan niet opdragen van werkzaamheden ligt geheel en al in de macht van Esprit, wat betekent dat de vervulling van de voorwaarde die tot het einde zou leiden van de arbeidsovereenkomst, niet is gebaseerd op een objectieve grond. Esprit heeft op deze manier steeds zelf in de hand wanneer zij een arbeidsovereenkomst wil beëindigen en kan daardoor eenvoudig het dwingendrechtelijke ontslagstelsel omzeilen, zonder dat de werknemer enige bescherming toekomt. Genoemde bepaling is daarom nietig. Dat de bepaling is overeengekomen in een cao, zoals Esprit benadrukt, maakt dit niet anders. Het gevolg hiervan is dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd. De e-mail van 6 februari 2020 kan in dat geval niet anders worden beschouwd dan als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Nu deze is gedaan in strijd met artikel 7:671 BW is deze vernietigbaar. Daar komt overigens nog bij dat de opzegging is gedaan tegen 1 februari 2020 en dus met terugwerkende kracht, hetgeen niet mogelijk is. Daarnaast was en is werkneemster arbeidsongeschikt, zodat in beginsel een opzegverbod bestaat. De verzoeken van werkneemster worden toegewezen.