Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 28 juli 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:6727
Ontbinding arbeidsovereenkomst e-grond. Werknemer heeft na herstelmelding niets meer van zich laten horen en heeft geen werkzaamheden verricht, terwijl werkgeefster talloze keren geprobeerd heeft contact met werknemer te krijgen.

Feiten

Werknemer is per 23 maart 2020 bij werkgeefster in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die van rechtswege eindigt per 22 oktober 2020. Op 11 mei 2020 heeft werknemer zich ziek gemeld. Op 12 mei 2020 is afgesproken dat werknemer de volgende dag weer zou werken. Op 13 mei 2020 is werknemer zonder berichtgeving niet verschenen en is hij niet bereikbaar. Op 14 mei 2020 heeft de gemachtigde van werkgeefster werknemer een brief (ook per e-mail) gestuurd met daarin onder meer opgenomen dat het loon wordt stopgezet, aangezien werknemer na de betermelding geen werkzaamheden heeft verricht. Ook wordt werknemer verzocht in overleg te treden over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft hierop niet gereageerd. Werkgeefster verzoekt onder meer  ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen of nalaten.

Oordeel

Werknemer heeft niet betwist dat hij zonder berichtgeving vanaf 13 mei 2020 niet meer op het werk is verschenen en dat werkgeefster, zoals zij stelt, vanaf die datum talloze keren tevergeefs heeft geprobeerd, via telefoon, whatsapp, e-mail en per brief en zelfs per huisbezoek, contact met werknemer te krijgen teneinde hem de bedongen arbeid te laten verrichten. Deze feiten staan dus vast. Werknemer heeft geen verweer gevoerd tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege verwijtbaar handelen of nalaten (en evenmin tegen de overige subsidiaire gronden), zodat de kantonrechter dit aanmerkt als een berusting in de verzochte ontbinding. Alleen al daarom kan het verzoek tot ontbinding worden toegewezen. Werknemer heeft zich ook niet op het standpunt gesteld dat hij zich beschikbaar heeft gehouden voor werk. Met werkgeefster is de kantonrechter van oordeel dat dit een redelijke grond voor ontbinding oplevert. Werkgeefster heeft ter zitting haar verzoek aangevuld en verzocht om voor recht te verklaren dat zij aan werknemer geen transitievergoeding verschuldigd zal zijn. Aan dit verzoek wordt voorbijgegaan. Het verzoek is pas ter zitting gedaan en werknemer heeft hierop niet kunnen reageren. Er is dus niet voldaan aan het vereiste van artikel 130 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Werknemer heeft in zijn verweer niet om toekenning van een transitievergoeding verzocht en het staat de kantonrechter niet vrij om die ambtshalve toe te kennen, zodat de ontbinding wordt uitgesproken zonder toekenning van een transitievergoeding.