Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 juli 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:6658
Vervaltermijn ex artikel 7:686a lid 4 BW verstreken dus werkneemster is niet-ontvankelijk in haar verzoeken. Het hanteren van deze vervaltermijn is niet in strijd met artikel 6:248 lid 2 BW.

Feiten

Werkneemster is op grond van een mondelinge arbeidsovereenkomst op 13 september 2019 bij werkgever in dienst getreden voor de duur van zeven maanden. Op 17 september 2019 heeft werkgever telefonisch aan werkneemster te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst met directe ingang te beëindigen. Per e-mail van 1 oktober 2019 heeft werkneemster tegen de opzegging van de arbeidsovereenkomst geprotesteerd. Bij brief van 2 oktober 2019 heeft werkgever medegedeeld dat het dienstverband met werkneemster tijdens de proeftijd is geëindigd. Hierna heeft verdere e-mailwisseling tussen werkneemster en werkgever plaatsgevonden en is overleg gevoerd over een minnelijke regeling. Op 7 april 2020 is werkneemster akkoord gegaan met het door werkgever gedane schikkingsvoorstel. In deze procedure verzoekt werkneemster vernietiging van de opzegging van 17 september 2019, alsmede betaling van het opeisbare loon en een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding. Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek verzoekt werkgever voor recht te verklaren dat werkneemster gehouden is tot nakoming van de gemaakte afspraken, meer in het bijzonder het intrekken van de onderhavige procedure.

Oordeel

De kantonrechter overweegt dat in de onderhavige zaak de vervaltermijn is gaan lopen de dag nadat de arbeidsovereenkomst door werkgever op 17 september 2019 is beëindigd. De verzoeken strekkende tot vernietiging van de opzegging en/of toewijzing van een billijke vergoeding hadden dus uiterlijk op 17 november 2019 moeten zijn ingediend. Het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding had uiterlijk op 17 december 2019 moeten zijn ingediend. Het verzoekschrift van werkneemster is ter griffie binnengekomen op 27 februari 2020, derhalve pas na ruim vijf maanden. De verzoeken van werkneemster zijn dus niet tijdig gedaan. Werkneemster heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het beroep op de termijnoverschrijding door werkgever gezien de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de inhoud van de door partijen overgelegde e-mails blijkt dat er bij werkneemster geen onduidelijkheid over heeft bestaan dat werknemer op 17 september 2019 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Zij heeft in verschillende e-mails geprotesteerd tegen de gedane opzegging en zich op het standpunt gesteld dat deze opzegging niet rechtsgeldig was. Zelfs indien werkneemster op basis van de e-mails van 11 en 17 oktober 2019 en het gesprek van 21 oktober 2020 in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat de opzegging zou zijn ingetrokken, dan moet het haar, gelet op inhoud van de e-mail van 28 oktober 2019, op dat moment in ieder geval duidelijk zijn geweest dat van een intrekking van de opzegging door werkgever geen sprake was geweest. Uit de inhoud van de e-mailberichten van werkneemster blijkt verder dat zij goed op de hoogte was van het arbeidsrecht en dat zij een advocaat heeft geraadpleegd, die tijdig een verzoek bij de kantonrechter had kunnen indienen (en indien nodig weer intrekken in het geval dat een akkoord zou worden bereikt). Het recht van werkneemster om de in haar ogen niet rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan te tasten en om toekenning van de door haar verzochte vergoedingen te verzoeken, is derhalve tenietgegaan. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 17 september 2019 definitief is geëindigd en werkneemster niet-ontvankelijk is in haar verzoeken. Werkgever heeft het tegenverzoek ingesteld onder de voorwaarde dat werkneemster door de kantonrechter ontvankelijk zou worden geacht in haar verzoeken. Deze voorwaarde is niet vervuld, zodat aan een beoordeling van de tegenverzoeken van werkgever niet wordt toegekomen.