Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 juni 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:1808
Feiten
Werknemer is op 11 juni 1990 in dienst getreden van de Stichting Bevolkingsonderzoek Midden-West (hierna: BOMW). De cao Ziekenhuizen 2011-2014 (hierna: de cao) is op de arbeidsovereenkomst van toepassing. In artikel 14 van de cao is een wachtgeldregeling opgenomen. Bij beschikking van 14 juni 2013 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van BOMW ontbonden per 1 juli 2013. Per 1 november 2013 heeft het UWV werknemer een WW-uitkering toegekend. Bij brieven van 9 augustus 2013 en 15 oktober 2013 aan BOMW heeft werknemer aanspraak gemaakt op wachtgeld. De aanspraak is bij brieven van 13 september 2013 en 30 oktober 2013 door BOMW afgewezen. Op 1 juli 2014 heeft het UWV werknemer toestemming gegeven gebruik te maken van de startersregeling, inhoudende dat een WW-gerechtigde gedurende zes maanden met korting op de WW-uitkering kan proberen inkomsten als ondernemer te genereren. Werknemer heeft in dit kader vanuit zijn eenmanszaak Carealisation werkzaamheden verricht voor het Erasmus MC. Bij vonnis van 24 februari 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam is BOMW veroordeeld tot nakoming van de wachtgeldregeling jegens werknemer. Voorts heeft BOMW verzocht om toezending van informatie teneinde de aanspraak van werknemer vast te kunnen stellen. Op 25 april 2016 is werknemer in dienst getreden van Trustforce B.V. Bij brief van 12 mei 2016 heeft werknemer BOMW bericht dat een aantal van de door BOMW gevraagde stukken ver voorbij de op hem rustende informatieplicht van artikel 14.6 van de cao reikt en dat sommige de privacy van derden raken. Bij brief van 9 juni 2016 heeft BOMW werknemer verzocht om haar alsnog te informeren over de door hem ondernomen sollicitatie- en acquisitiepogingen alsmede over zijn werk in het Erasmus MC en de ICT-functie die hij sinds enige tijd bekleedde. Nadien heeft werknemer BOMW bij verschillende brieven stukken toegestuurd. BOMW blijft echter meermaals volharden dat werknemer niet aan haar verzoek om haar te informeren over zijn sollicitatie- en acquisitiepogingen heeft voldaan en zijn aanspraak op wachtgeld inmiddels is vervallen door schending van deze verplichting op grond van de cao. In eerste aanleg heeft werknemer nakoming door BOMW van de wachtgeldregeling uit de cao gevorderd. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat BOMW toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de wachtgeldregeling en BOMW veroordeeld tot nakoming daarvan tot en met december 2017. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt werknemer in principaal appèl – inhoudelijk – met vier grieven op.
Oordeel
Wachtgeld vervallen?
Met grief 4 komt werknemer op tegen het oordeel van de kantonrechter dat voor hem vanwege artikel 14.6 lid 2 van de cao een informatieplicht geldt met betrekking tot zijn sollicitatieactiviteiten. Het hof oordeelt dat uit artikel 14.6 lid 2 van de cao geen informatieplicht met betrekking tot sollicitatieactiviteiten kan worden afgeleid. Dit geldt temeer daar in artikel 14.6 lid 3 van de cao wel een informatieplicht met betrekking tot inkomsten is opgenomen. Als de cao-partijen een informatieplicht met betrekking tot sollicitatieactiviteiten hadden willen overeenkomen, dan hadden zij dat uitdrukkelijk moeten regelen. Gelet op het bepaalde in artikel 14.8 aanhef en lid 1 derde punt van de cao kan volgens het hof alleen het door de wachtgeldgerechtigde niet gebruikmaken van de mogelijkheid inkomsten te verkrijgen, leiden tot verval van het wachtgeld. Van een algemene informatieplicht met betrekking tot sollicitatieactiviteiten is evenwel geen sprake.
Pensioenpremie onderdeel wachtgeld?
Met grief 1 komt werknemer op tegen het oordeel van de kantonrechter op grond waarvan zijn vorderingen ter zake van verdere pensioenopbouw zijn afgewezen. Uit artikel 14.5 lid 1 van de cao blijkt dat gedurende de wachtgeldperiode de pensioenaanspraken doorlopen, indien en zolang de wachtgeldgerechtigde het deelnemerschap aan het Pensioenfonds Zorg en Welzijn wenst voort te zetten. Werknemer heeft op 28 maart 2013 bij het pensioenfonds geïnformeerd naar de kosten van vrijwillige voortzetting. Werknemer heeft het pensioenfonds vervolgens niet laten weten dat hij zijn pensioenopbouw vrijwillig wilde voortzetten, reden waarom dit recht tot vrijwillige voortzetting is komen te vervallen. Nu werknemer geen deelnemer in het pensioenfonds is gebleven, is aan de voorwaarde van artikel 14.5 lid 1 van de cao niet voldaan en heeft werknemer geen recht op voortzetting van zijn pensioen tijdens de wachtgeldperiode.
Hoogte wachtgeld
Met grief 2 komt werknemer op tegen het oordeel van de kantonrechter dat eenmalige cao-uitkeringen gedurende de wachtgeldperiode niet bij de berekening van het wachtgeld worden betrokken. Werknemer maakt aanspraak op een verhoging van 0,5% van het brutojaarsalaris per juli 2015 en juli 2016, alsmede een eenmalige uitkering van € 200 bruto per september 2017 en september 2018. Uit artikel 14.4 lid 3 van de cao blijkt dat algemene loonaanpassingen uit de cao, die door werknemer zouden zijn genoten als hij in dienst zou zijn gebleven, bij de berekening van het wachtgeld in aanmerking worden genomen. Met betrekking tot de algemene loonaanpassingen uit de cao van 2015 en 2016 heeft volgens het hof te gelden dat artikel 14.4 lid 3 van de cao voor toekenning van de eenmalige cao-uitkeringen uitgaat van de fictie ‘welke door de wachtgeldgerechtigde zouden zijn genoten, indien betrokkene in dienst zou zijn gebleven’, reden waarom werknemer ook recht heeft op de algemene loonaanpassingen uit de cao van 2015 en 2016.
Met grief 3 in principaal appèl komt werknemer op tegen het oordeel van de kantonrechter dat wordt uitgegaan van de juistheid van de berekeningen van het wachtgeld door BOMW, alsmede van berekening van het wachtgeld tot en met december 2017. Volgens werknemer heeft BOMW in haar berekening het wachtgeld over de maanden oktober tot en met december 2017 ten onrechte op nihil gesteld en dient de wachtgeldregeling te worden nagekomen tot en met februari 2019. Het hof constateert evenwel dat uit de stukken blijkt dat werknemer vanaf 1 oktober 2017 in Libanon woonachtig is en dat het UWV om die reden de WW-uitkering vanaf 1 oktober 2017 heeft beëindigd. Uit de cao blijkt dat het recht op wachtgeld is gekoppeld aan het recht op een WW-uitkering. Nu de cao algemeen verbindend is verklaard, is het hof gehouden te onderzoeken of werknemer recht heeft op wachtgeld vanaf 1 januari 2018. Het hof zal werknemer daarom in de gelegenheid stellen zich over het voorgaande bij akte uit te laten en de zaak daartoe naar de rol verwijzen.