Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Akzo Nobel Nederland B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 31 juli 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:6839
Partijen zijn het eens geworden over het sluiten van de beëindigingsovereenkomst, als gevolg waarvan het dienstverband is geëindigd. Vordering tot (aanvullende) schadevergoeding ex artikel 7:611 BW als gevolg van onterecht inkomensverlies afgewezen, schade op nihil vastgesteld.

Feiten

Werknemer is op 1 februari 2017 in dienst getreden bij Akzo Nobel Nederland B.V. (hierna Akzo Nobel). Op 19 juli 2019 heeft Akzo Nobel aan werknemer medegedeeld de arbeidsovereenkomst tussen partijen te willen beëindigen. Sinds 19 juli 2019 heeft werknemer geen werkzaamheden meer verricht. Bij e-mail van 20 september 2019 heeft Akzo Nobel de lijnen voor een vaststellingsovereenkomst naar werknemer gestuurd. Werknemer gaf hierop aan grotendeels akkoord te zijn, hetzij voorzien van een aantal wijzigingen, waarmee Akzo Nobel weer niet akkoord was. Volgens Akzo Nobel is er dan ook geen overeenstemming bereikt. Vervolgens heeft Akzo Nobel op 4 oktober 2019 een ontbindingsverzoek ingediend. Dit verzoek werd echter afgewezen. Daarna heeft Akzo Nobel bij brief van 19 december 2019 aan werknemer medegedeeld dat zij zich niet langer verzet tegen het standpunt van werknemer dat sprake is van een op 20 september 2019 tot stand gekomen beëindigingsovereenkomst en dat zij daaraan uitvoering zal geven. Werknemer stelt echter dat Akzo Nobel zonder instemming van werknemer uitvoering heeft gegeven aan de beëindigingsovereenkomst en wel zonder het recht op aanvullende schadevergoeding. In deze procedure vordert werknemer een verklaring voor recht dat Akzo Nobel ten opzichte van werknemer in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld en op grond daarvan aansprakelijk is voor de schade die werknemer lijdt.

Oordeel

Partijen zijn het er inmiddels over eens dat het dienstverband van werknemer is geëindigd conform de vaststellingsovereenkomst. De gevorderde verklaring voor recht dat Akzo Nobel in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld wordt deels toegewezen. Vaststaat dat Akzo Nobel jegens werknemer tekort is geschoten in haar wettelijke verplichting om werknemer een degelijk verbetertraject aan te bieden en/of herplaatsingsinspanningen te verrichten, zodat Akzo Nobel op dit punt in strijd heeft gehandeld met goed werkgeverschap. Het eenzijdig ontnemen van de werkzaamheden van werknemer door Akzo Nobel is daarentegen niet aan te merken als slecht werkgeverschap. Dat werknemer vanaf 19 juli 2019 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor Akzo Nobel, ligt immers voor de hand in het licht van de vanaf dat moment gestarte onderhandelingen en de juridische procedures over een einde van zijn dienstverband. Ook de stelling van werknemer dat Akzo Nobel kunstmatig een reorganisatie in elkaar heeft gezet, speciaal om zijn functie op te heffen, is niet vast komen te staan. De kantonrechter is van oordeel dat Akzo Nobel in beginsel aansprakelijk is voor de schade die werknemer lijdt als gevolg van de toegewezen tekortkomingen. Anders dan werknemer meent, is die schade echter niet de door hem gestelde derving van inkomsten en pensioenopbouw. Thans staat immers vast dat het einde van het dienstverband het gevolg is van een regeling tussen partijen. Dit heeft als gevolg dat Akzo Nobel na 31 december 2019 geen loon- en pensioenverplichtingen meer heeft jegens werknemer. Verder zijn het loon en overige emolumenten waar werknemer recht op heeft tot en met 31 december 2019 uitbetaald. Voor zover werknemer al inkomens- en pensioenschade oploopt, ontbreekt derhalve een causaal verband tussen deze schade en de tekortkoming van Akzo Nobel. Die schade is immers geen gevolg van het feit dat Akzo Nobel in strijd heeft gehandeld met goed werkgeverschap, maar een gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Hetzelfde geldt voor de daarmee samenhangende, gevorderde vergoeding van de door werknemer gemaakte kosten ter vaststelling van de aansprakelijke persoon en de hoogte van de schade. De schade van werknemer, als gevolg van de handelwijze van Akzo Nobel in strijd met artikel 7:611 BW, zal dan ook worden bepaald op nihil.