Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 4 augustus 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:6769
Feiten
Werknemer is met ingang van 1 oktober 2019 voor de bepaalde duur van één maand in dienst getreden van The Art Hotel. Bij brief d.d. 31 oktober 2019 heeft The Art Hotel aan werknemer bevestigd dat zijn arbeidsovereenkomst met zes maanden wordt verlengd, tot 1 mei 2020. Per 1 mei 2020 is de arbeidsovereenkomst voorgezet. Op 6 en 9 mei 2020 heeft The Art Hotel werknemer verzocht een brief gedateerd 29 april 2020 te ondertekenen. In die brief bevestigt The Art Hotel dat zij de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 op gelijke voorwaarden wenst voort te zetten voor de duur van drie maanden (tot 1 augustus 2020). Toen werknemer, evenals hij op 6 mei 2020 had gedaan, op 9 mei 2020 weigerde die brief te ondertekenen, heeft The Art Hotel hem naar huis gestuurd. Werknemer heeft voor wat betreft de periode sindsdien jegens The Art Hotel verklaard bereid en beschikbaar te zijn om zijn werkzaamheden te hervatten. Werknemer verzoekt betaling van de aanzegvergoeding en voor het geval vast komt te staan dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd een transitievergoeding.
Oordeel
Aanzegvergoeding
Uit de stellingen van The Art Hotel begrijpt de kantonrechter dat zij, weliswaar te laat, aan haar aanzegverplichting heeft voldaan door werknemer op 29 april 2020 een brief te overhandigen waarin zij bevestigt de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 op gelijke voorwaarden te willen voortzetten. Werknemer heeft echter uitdrukkelijk betwist die brief op die datum van The Art Hotel te hebben ontvangen. Volgens werknemer werd hem die brief eerst op 6 mei 2020 overhandigd. Geoordeeld wordt dat bij deze stand van zaken, zonder verder bewijs, niet vaststaat dat The Art Hotel deze brief op 29 april 2020 aan werknemer heeft overhandigd. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat The Art Hotel haar aanzegverplichting jegens werknemer in het geheel niet is nagekomen. De vordering wordt toegewezen.
Eind van de arbeidsovereenkomst
Overwogen wordt dat partijen het erover eens zijn dat de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 in ieder geval met drie maanden is verlengd, derhalve tot 1 augustus 2020, volgens The Art Hotel omdat dat is overeengekomen en volgens werknemer omdat de arbeidsovereenkomst op 1 mei 2020 zonder tegenspraak is voortgezet, en daarom geacht wordt voor opnieuw zes maanden te zijn voortgezet, derhalve tot 1 november 2020. Het staat dan ook niet vast dat op de datum van deze beschikking de arbeidsovereenkomst tussen partijen reeds is geëindigd, terwijl overigens het standpunt van werknemer nu juist is dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt. De vraag of de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd per 1 augustus 2020, zal beantwoord dienen te worden in een volgende (bodem)procedure. Nu de voorwaarde waaronder het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding niet is vervuld, komt de kantonrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.