Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ Erasmus Universitair Medisch Centrum
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 1 juli 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:7153
Het toegangsverbod voor de publieke ruimten was niet gerechtvaardigd en derhalve onrechtmatig. Toekenning van schadevergoeding wegens aantasting in de eer en goede naam.

Feiten

Werknemer is op 1 september 1974 in dienst getreden bij het EMC. Met ingang van 1 juli 2005 is hij voor de duur van vier jaar benoemd tot bijzonder hoogleraar, hetgeen is verlengd voor dezelfde periode. In december 2011 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van het dienstverband. Werknemer kreeg hierna de status van emeritus hoogleraar. Het EMC heeft na het einde van het dienstverband aan werknemer de mogelijkheid geboden om betrokken te blijven bij een aantal projecten. Partijen hebben daartoe een gastvrijheidsovereenkomst gesloten op grond waarvan werknemer toegang had tot de bouwen en faciliteiten van het EMC. Op 18 februari 2013 heeft het EMC werknemer er schriftelijk op gewezen dat hij zijn werkkamer nog niet had ontruimd en aan hem de opdracht gegeven dit alsnog te doen. Gedurende de gastvrijheidsovereenkomst ontstonden conflicten tussen partijen met name over de inhoudelijke en financiële bevoegdheden van werknemer. Werknemer heeft na 6 augustus 2013 gecommuniceerd met de subsidiegevers van de nog onder de verantwoordelijkheid van het EMC lopende projecten. De gastvrijheidsovereenkomst is op 1 mei 2014 van rechtswege geëindigd. Werknemer is nadien nog in de niet-publieke ruimten van het EMC geweest en heeft gecommuniceerd met de subsidiegevers van de nog onder de verantwoordelijkheid van het EMC lopende projecten. Het EMC heeft op 17 oktober 2014 aan werknemer een toegangsverbod opgelegd en hem de status van emeritus hoogleraar ontnomen. Werknemer is nadien nog in de publieke en niet-publieke ruimten geweest. Werknemer heeft bij de Nationale ombudsman een klacht ingediend over het toegangsverbod, die  gedeeltelijk gegrond is verklaard. Het EMC heeft het toegangsverbod naar aanleiding van het rapport van de Nationale ombudsman aangepast. Het toegangsverbod voor het betreden van de publieke ruimten kwam te vervallen. Op 12 april 2018 is werknemer in de niet-publieke ruimten van het EMC geweest zonder dat hij daartoe een afspraak had of was uitgenodigd door een medewerker van het EMC. Op 26 april 2018 heeft werknemer het EMC aansprakelijk gesteld voor de schade die hij lijdt door het toegangsverbod.

Oordeel

Op grond van artikel 5:1 lid 2 BW staat het EMC vrij om met uitsluiting van derden gebruik te maken van zijn gebouwen, op voorwaarde dat dit gebruik niet strijdig is met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. Niet ter discussie staat dat in de gebouwen van het EMC onderscheid werd gemaakt tussen publieke ruimten en niet-publieke ruimten, en dat in die laatste louter personen aanwezig mochten zijn die daarvoor toestemming van het EMC hadden. Met betrekking tot het toegangsverbod voor het betreden van de niet-publieke ruimten heeft te gelden dat werknemer na het einde van de gastvrijheidsovereenkomst niet langer het recht had om die te betreden. Werknemer heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij – ondanks de omstandigheid dat de gastvrijheidsovereenkomst was geëindigd – dat recht nog had en evenmin dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij dat recht nog had. Het staat vast dat werknemer na het einde van de gastvrijheidsovereenkomst de niet-publieke ruimten desalniettemin heeft betreden. Het toegangsverbod kan niet in strijd met de rechten van werknemer worden geacht. Evenmin is het in strijd met hetgeen het EMC in het maatschappelijk verkeer jegens werknemer betaamde. Van onrechtmatig handelen is geen sprake. Met betrekking tot het toegangsverbod voor het betreden van de publieke ruimten dient anders geoordeeld te worden. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die een toegangsverbod voor de publieke ruimten rechtvaardigen. EMC heeft om die reden onrechtmatig gehandeld en is gehouden de schade die werknemer heeft geleden te vergoeden.

Schade

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade geldt dat het vereiste causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de gestelde schade ontbreekt. De schade ziet op het opgelegde verbod voor het betreden van de niet-publieke ruimten. Deze schade komt niet voor vergoeding in aanmerking. Wel is sprake van aantasting in de eer en goede naam van werknemer. Bij het begroten van de schade acht de rechtbank van belang dat een wetenschapper voor de waardering van zijn publicaties en voor het verkrijgen van opdrachten afhankelijk is van zijn goede naam. Gelet op deze omstandigheden is een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500 passend.