Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ISL Logistics NL B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 5 augustus 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:5722
Finale kwijting vaststellingsovereenkomst ziet niet op arbeidsongeval waarvoor werknemer werkgever eerder aansprakelijk heeft gesteld. Werknemer is door werkgever niet gewezen op de financiƫle consequenties. Geen sprake van welbewuste instemming.

Feiten

Werknemer is op 1 mei 2018 bij ISL Logistics NL B.V. (hierna: ISL) in dienst getreden voor de duur van een jaar. Op 23 oktober 2018 heeft werknemer een arbeidsongeval gehad. Op 18 april 2019 stelt X, letselschadeprofessional, ISL aansprakelijk voor de gevolgen van het aan werknemer overkomen letsel. Erkenning van aansprakelijkheid blijft uit. Op 28 maart 2019 heeft ISL aan werknemer bericht dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd en dat het dienstverband van rechtswege zal eindigen op 30 april 2019. Vervolgens is tussen partijen discussie ontstaan over de vraag of er wellicht sprake is van opvolgend werkgeverschap en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Per e-mailwisseling tussen de gemachtigden van beide partijen is op 22 juli 2019 overeenstemming bereikt over een regeling vaststellingsovereenkomst waarbij partijen elkaar onder meer over en weer finale kwijting van alle vorderingen die ten tijde van het dienstverband zijn ontstaan of daaruit voortvloeien verlenen. Partijen twisten over de vraag of letselschadeaanspraken vallen onder de kwijtingsbepaling.

Oordeel

Geen zelfstandig belang en misbruik van recht

Gelet op de correspondentie, de geschetste toedracht van het ongeval en de aanhangig gemaakte procedure is het naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat werknemer zijn schade op ISL wenst te verhalen. Daarmee staat op zich een belang van werknemer bij het gevorderde wel vast. Dat neemt niet weg dat werknemer zich moet onthouden van het voeren van onnodige procedures. Dat klemt temeer als, zoals in dit geval, een zogenoemde negatieve verklaring voor recht wordt gevraagd. A-G Spier wijst in de conclusie voor het arrest van 27 maart 2015 op het gevaar van excessief formalisme. Vertaald naar deze casus: niet-ontvankelijkheidverklaring van werknemer op grond van het feit dat hij de vordering met betrekking tot de strekking van de kwijting niet mag splitsen van de vordering tot vaststelling van de aansprakelijkheid leidt immers enkel tot een nieuwe procedure waarbij het weer over dezelfde vraag zal gaan, de strekking van de kwijting. Daar heeft niemand wat aan. Een benadering die de kantonrechter zeer aanspreekt. Overigens wijst de kantonrechter er ook nog op dat hij in de overgelegde stukken nergens heeft gelezen dat ISL de aansprakelijkheid voor het letsel van werknemer heeft ontkend. Enkel wordt een beroep gedaan op de overeengekomen kwijting. Het valt dus niet uit te sluiten dat na een beslissing over de reikwijdte van de kwijting de vraag naar de aansprakelijkheid van ISL geen discussie zal opleveren. In dat geval is van een onnodig aanhangig gemaakte procedure al helemaal geen sprake. De conclusie uit het vorenstaande is dat de kantonrechter het beroep van ISL op onvoldoende belang en misbruik van recht zal afwijzen.

De reikwijdte van de kwijting

De uitleg en reikwijdte van de kwijting moet worden bepaald aan de hand van de Haviltexnorm. In dat verband acht de kantonrechter navolgende omstandigheden van belang: (1) het onderdeel van de gemaakte afspraken ‘finale kwijting betreffende alle vorderingen uit het dienstverband’ is afkomstig van ISL, (2) de onderhandelingen tussen partijen zijn opgestart naar aanleiding van de vraag of het dienstverband van werknemer was beëindigd door het verstrijken van de bepaalde tijd, of dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen was en (3) in de gevoerde gesprekken is de kwestie van de letselschadeaanspraak nimmer aan de orde gesteld. Tegenover deze omstandigheden, die naar het oordeel van de kantonrechter steun geven aan de uitkomst dat de kwijting niet op de letselschadezaak betrekking heeft, staat de omstandigheid dat werknemer de vordering op grond van het hem overkomen letsel al had aangekaart bij ISL voordat de kwijting overeen werd gekomen. Met andere woorden, het betreft hier een aspect dat bij beide partijen bekend was toen zij de kwijting overeenkwamen. Daarmee ligt het wellicht voor de hand dat ISL het ‘ja’ van werknemer op de finale kwijting mocht begrijpen als ook betrekking hebbende op de letselschadezaak. En dat werknemer aan dat bij ISL opgewekte vertrouwen is gebonden. Toch is de kantonrechter die mening niet toegedaan. Voor welbewuste instemming is nodig dat werknemer is gewezen op de financiële gevolgen van de kwijting, in het bijzonder afstand van eventuele aanspraken ter zake van letselschade. Vast staat dat ISL dat niet heeft gedaan. Voornoemde eis past ook in de vaste jurisprudentie, inhoudende dat een werkgever verifieert of een werknemer daadwerkelijk de wil heeft een bepaalde overeenkomst aan te gaan waarbij hij rechten prijsgeeft of anderszins ogenschijnlijk voor hem nadelig handelt. Doet de werkgever dat niet, dan kan hij zich later er niet terecht op beroepen dat hij vertrouwd heeft op de betreffende uiting van de werknemer. Rekening houdende met het vakantiegeld komt de afkoopsom van het gestelde dienstverband voor onbepaalde tijd neer op iets meer dan vier maandsalarissen. In de ogen van de kantonrechter zit in dat bedrag amper of niets extra’s voor de aanspraken op grond van het arbeidsongeval. Dat maakt dat het op de weg van ISL lag om na te vragen bij werknemer of het werkelijk zijn bedoeling was die kwestie ook onder de kwijting te laten vallen. Temeer nu ISL er ook mee bekend was dat de twee verschillende kwesties bij twee verschillende gemachtigden van werknemer in behandeling waren en het geenszins zeker was dat zij beiden van deze verschillende kwesties op de hoogte waren. In ieder geval blijkt niet of ISL dat heeft geverifieerd bij de gemachtigde die werknemer bijstond in het geschil waarvoor de kwijting is getroffen. Het feit dat werknemer zich bij het aangaan van de kwijting rechtskundig liet bijstaan is daarom evenmin van doorslaggevende betekenis. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de getroffen kwijting geen betrekking heeft op eventuele aanspraken die werknemer heeft tegenover ISL op grond van het hem bij ISL overkomen bedrijfsongeval.