Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/BinckBank N.V. c.s.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 april 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:4197
Afwijzing verzoek om voorlopig getuigenverhoor in verband met door Hoofd Legal gesteld ‘harassment’ door werkgever. Gebrek aan belang en feitelijk gebeuren waar het verhoor betrekking op zal hebben is onvoldoende duidelijk omschreven.

Feiten

Werknemer is ruim zestien jaar werkzaam bij BinckBank N.V. in de functie van Hoofd Legal & Regulatory en Corporate Secretary. Recentelijk is BinkckBank overgenomen door Saxo Bank A/S. Teneinde de integratie van de transactie met Saxo Bank voor te bereiden heeft BinckBank een overlegorgaan opgericht: de Integration Committee. In het kader van de overname is een sociaal plan opgesteld. Onderdeel van dit sociaal plan is dat een medewerker bij verval van zijn functie een passende functie mag weigeren en toch aanspraak kan maken op de voorzieningen van het sociaal plan. Op 6 augustus 2019 heeft een telefonische vergadering plaatsgevonden van de Integration Committee. Van die vergadering is een geluidsopname gemaakt (hierna: de tape) door Saxo Bank. Tijdens die vergadering is onder meer het sociaal plan aan de orde gekomen. Op 2 oktober 2019 heeft werknemer een e-mail gestuurd aan de voltallige RvC, waarin hij klaagt over verwijten die hem ten onrechte worden gemaakt, onder meer ten aanzien van zijn rol bij het sociaal plan. Op 16 oktober 2019 heeft werknemer zich ziek gemeld. Op 4 maart 2020 heeft de advocate van werknemer de tape beluisterd. Werknemer verzoekt de rechtbank onder meer een voorlopig getuigenverhoor te bevelen teneinde ca. elf getuigen te horen en BinckBank te bevelen de tape van de vergadering van de Integration Committee te verstrekken. Werknemer legt hieraan ten grondslag dat hij overweegt een bodemprocedure in te stellen tegen BinckBank en Saxo Bank en daarin een verklaring voor recht te vorderen dat zij onrechtmatig jegens werknemer hebben gehandeld en dat zij de door werknemer geleden schade dienen te vergoeden. Werknemer omschrijft het onrechtmatig handelen in zijn verzoekschrift telkens als ‘harassment’. Door de ‘harassment’ zijn de eer en goede naam van werknemer beschadigd en is zijn verdiencapaciteit aangetast, aldus werknemer.

Oordeel

De rechtbank oordeelt als volgt. Door middel van het voorlopig getuigenverhoor wenst werknemer te onderzoeken of, en tegelijkertijd te bewijzen dat, er sprake is van ‘harassment’ jegens hem. De rechtbank is van oordeel dat werknemer ten aanzien van hetgeen is besproken op de vergadering geen belang (meer) heeft bij een voorlopig getuigenverhoor, nu zijn advocate op 4 maart 2020 de tape heeft beluisterd. Hiermee is voor werknemer duidelijk wat er op de tape staat, wat er tijdens de vergadering is gezegd en of hetgeen in de notulen staat, overeenkomt met hetgeen op de tape te horen is.  Werknemer heeft niet gesteld dat de tape afwijkt van hetgeen in de notulen staat vermeld. Een getuigenverklaring heeft op dat punt geen aanvullende waarde meer, althans dat dit anders zou zijn is door werknemer niet althans onvoldoende gesteld. Dat werknemer niet bij het beluisteren van de tape aanwezig was, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Gesteld noch gebleken is dat het voor de vordering die werknemer mogelijk wenst in te stellen van belang is om te weten wie wat heeft gezegd tijdens de vergadering. Voor het overige heeft werknemer naar het oordeel van de rechtbank het feitelijk gebeuren waarover hij getuigen wil doen horen niet zodanig omschreven dat voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking heeft. Werknemer heeft niet aangegeven welk concreet als onrechtmatig aan te merken handelen of nalaten van BinckBank en Saxo Bank hij wil bewijzen. In die zin voldoet het verzoek reeds niet aan de daaraan in de wet gestelde vereisten. Uit de door werknemer in het verzoekschrift geformuleerde vraagstelling blijkt dat veelal sprake is van vermoedens van ‘harassment’. Door het horen van de getuigen wil werknemer deze vermoedens bevestigd zien. Het voorlopig getuigenverhoor is echter niet bedoeld om getuigen te horen over niet onderbouwde stellingen. Dan zou het immers, zoals BinckBank c.s. ook hebben betoogd, een ongeoorloofde ‘fishing expedition’ worden. De rechtbank wijst de verzoeken af.