Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Mens en Water B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 26 augustus 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:6374
Werkgever heeft onvoldoende gesteld en bewezen dat sprake is van reële re-integratiemogelijkheden die hem een gerechtvaardigd belang geven niet in te stemmen met het verzoek van langdurig arbeidsongeschikte werknemer de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. Toewijzing schadevergoeding onder verwijzing naar de Xella-beslissing.

Feiten

Werknemer is op 22 april 2013 bij Mens en Water in dienst getreden. Het UWV heeft bij beslissing van 19 juli 2016 aan werknemer een WGA-uitkering krachtens de Wet WIA toegekend met ingang van 1 augustus 2016. Werknemer is volledig arbeidsongeschikt. Bij brief van 9 januari 2020 stelt werknemer aan Mens en Water voor om het dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. Per e-mail van 10 februari 2020 stelt Mens en Water – kort gezegd – dat er nog re-integratiemogelijkheden zijn en beide partijen belang hebben bij re-integratie. Bij brief van 19 februari 2020 is werknemer door de bedrijfsarts uitgenodigd op het spreekuur van 28 februari 2020. Werknemer is niet op het spreekuur verschenen. Het UWV schrijft in zijn brief van 22 januari 2020 dat het voornemens is in juni 2020 een heronderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van werknemer uit te voeren. Werknemer vordert betaling van de schadevergoeding ad € 4.429,93 wegens handelen of nalaten van Mens en Water in strijd met goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW.

Oordeel

Ter zake verwijst werknemer naar de zogenoemde Xella-beslissing van de Hoge Raad van 8 november 2019. In deze beslissing heeft de Hoge Raad – kort gezegd – overwogen dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap gehouden is in te stemmen met een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding. Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering aanvaard als de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. Mens en Water beroept zich nadrukkelijk op laatstgenoemde passage uit de Xella-beslissing. In dat verband overweegt de kantonrechter het navolgende. De vraag of er sprake is van reële re-integratiemogelijkheden moet, volgens de Hoge Raad in de Xella-beslissing, blijken op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden. Mens en Water stelt slechts dat het UWV voornemens is in juni 2020 een heronderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van werknemer uit te voeren en tevens dat zij hem had willen laten onderzoeken door haar eigen bedrijfsarts. Zelfs als die stellingen betrokken mogen worden bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van reële re-integratiemogelijkheden, is het antwoord op die vraag nog steeds een duidelijk neen. Er blijkt immers niets uit deze brief van het UWV met betrekking tot reële re-integratiemogelijkheden. Als daarbij dan ook nog bedacht wordt dat werknemer inmiddels zes jaar arbeidsongeschikt is (twee ziektejaren en vier jaar WGA), niet gebleken is dat Mens en Water in die tijd contact met hem heeft onderhouden en dat de stelling van werknemer dat bij Mens en Water nul personen in dienst zijn onbestreden is gebleven, dan zien de mogelijkheden op reële re-integratie er nog somberder uit. Het beroep van Mens en Water op het bestaan van reële re-integratiemogelijkheden voor werknemer zal daarom worden verworpen. De kantonrechter veroordeelt Mens en Water om aan werknemer een bedrag van € 4.429,93 bruto te betalen.