Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 6 augustus 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:7713
Feiten
Op 1 september 2019 is werknemer in dienst getreden bij Broeder & Zuster Zorg Coöperatie U.A. (hierna: B&Z) in de functie van medewerker Finance op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 1 april 2020. In artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst is vermeld dat de gebruikelijke arbeidsduur van werknemer 14.40 uur per week bedraagt. In een brief van 21 november 2019 van B&Z aan werknemer staat onder meer dat de contracturen van werknemer met ingang van 1 november zijn uitgebreid van 16 uur naar 24 uur. Op 27 december 2019 is aan werknemer mondeling ontslag aangezegd tegen 31 januari 2020. Op 9 januari 2020 heeft B&Z aan werknemer een vaststellingovereenkomst aangeboden. Deze is niet door werknemer ondertekend. Bij brief van 15 januari 2020 heeft B&Z werknemer met onmiddellijke ingang geschorst. De nadien naar werknemer opgestuurde beëindigingsovereenkomst is door werknemer niet ondertekend. Werknemer heeft bij brief van 15 januari 2020 aan B&Z medegedeeld dat hij zich niet kan vinden in de schorsing en heeft verklaard dat hij zich uitdrukkelijk beschikbaar houdt voor zijn werkzaamheden. Bij e-mail van 15 januari 2020 heeft B&Z werknemer onder meer verzocht de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. Bij brief van 31 januari 2020 heeft B&Z de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rechtswege per 1 februari 2020 bevestigd. Werknemer verzoekt de kantonrechter B&Z te veroordelen tot betaling van achterstallig loon, de transitievergoeding en het loon over de niet-genoten vakantiedagen. Werknemer legt aan zijn verzoek ten grondslag dat B&Z vanaf 1 november 2019 het loon aan werknemer heeft uitbetaald op basis van een werkweek van 21,6 uur per week, terwijl partijen een werkweek van 24 uur zijn overeenkomen.
Oordeel
Achterstallig loon
B&Z heeft onweersproken aangevoerd dat werknemer vanaf 1 september 2019 tot 1 november 2019 is uitbetaald op basis van een werkweek van 14,4 uur en dat dit ook op de loonstroken als zodanig is geadministreerd. Dit volgt ook uit artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat werknemer tot 1 november 2019 recht had op het loon op basis van 14,4 uur per week. Nu verder vaststaat dat werknemer twee dagen per week werkte, betekent dit dat werknemer 7,2 uur per dag werkte. Werknemer heeft voorts onvoldoende betwist dat het de bedoeling van partijen was om de arbeidsduur van werknemer uit te breiden met één dag. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer uit de brief van 21 november 2019 waarin werd bevestigd dat de contracturen van werknemer ‘worden uitgebreid van 16 uur naar 24 uur per week’ niet had mogen afleiden dat hij ook daadwerkelijk uitbetaald zou worden op basis van 24 uur per week. Het is immers niet aannemelijk dat wanneer partijen het aantal uren willen uitbreiden met één dag, het de bedoeling van B&Z was om ook het aantal van de reeds overeengekomen uren per week te wijzigen. Voorts is werknemer vanaf 1 november 2019 uitbetaald op basis van 21,6 uur per week. Dit is ook te zien op de in het geding gebrachte loonstroken. Niet gebleken is dat werknemer daar eerder over heeft geklaagd. Gelet op al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de tussen partijen overeengekomen afspraak met betrekking tot de urenuitbreiding van werknemer aldus moet worden uitgelegd dat de uren van werknemer zijn uitgebreid naar 21,6 uur per week en werknemer dus ook recht had op uitbetaling van het loon op basis van een 21,6-urige werkweek. Nu tussen partijen vaststaat dat B&Z het loon over de periode van november 2019 tot en met maart 2020 aan werknemer heeft uitbetaald op basis van 21,6 uur per week, is er geen sprake van achterstallig loon. Dit betekent dat het verzoek van werknemer tot betaling van het achterstallig loon wordt afgewezen.
Transitievergoeding
Volgens B&Z is de transitievergoeding van € 343,80 bruto reeds op 25 maart 2020 aan werknemer betaald. B&Z heeft ter onderbouwing van haar stelling een bankafschrift in het geding gebracht. Uit dit bankafschrift kan naar het oordeel van de kantonrechter echter niet worden geconcludeerd dat de transitievergoeding reeds aan werknemer is betaald. Volgens dit bankafschrift is op 25 maart 2020 een verzamelbetaling ter hoogte van € 22.712,53 afgeschreven van het rekeningnummer van B&Z. Hieruit blijkt echter niet dat het netto-equivalent van € 343,80 bruto aan werknemer is betaald. Gelet hierop zal ervan worden uitgegaan dat de transitievergoeding nog niet aan werknemer is betaald, zodat B&Z alsnog gehouden is het bedrag van € 343,80 bruto aan werknemer te voldoen en het verzoek ter zake zal worden toegewezen.
Loon over niet genoten vakantie-uren
B&Z heeft zich op het standpunt gesteld dat werknemer wordt geacht zijn vakantie-uren te hebben opgenomen, omdat hij enige tijd geschorst is geweest vanwege dreigend gedrag op de werkplek. De kantonrechter is van oordeel dat dit verweer van B&Z niet kan slagen. Een schorsing of een op non-actiefstelling ligt in de risicosfeer van de werkgever en is een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Dat werknemer vanaf het moment van zijn schorsing in ieder geval negen dagen onterecht heeft gewerkt, komt dan ook voor rekening en risico van B&Z. Te meer nu werknemer naar aanleiding van de op non-actiefstelling bij brief van 15 januari 2020 aan B&Z heeft laten weten zich uitdrukkelijk beschikbaar te houden voor zijn werkzaamheden. Gesteld noch gebleken is dat B&Z werknemer heeft verzocht zijn werkzaamheden te hervatten. De kantonrechter acht derhalve geen omstandigheden aanwezig op grond waarvan het onredelijk zou zijn om B&Z te veroordelen tot uitbetaling van de door werknemer opgebouwde vakantie-uren. Het verzoek van werknemer B&Z te veroordelen tot betaling van het loon over de opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren wordt daarom toegewezen.