Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Shell International Exploration and Production B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 1 september 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:8671
Vordering tot toelating op het werk en herstel van alle rechten uit de arbeidsovereenkomst in kort geding afgewezen. Verbod om nieuwe gerechtelijke procedure aanhangig te maken.

Feiten

Werknemer is sinds 1 mei 2006 in dienst bij diverse aan Shell International Exploration and Production B.V (hierna: SIEP) gelieerde vennootschappen, waarbij werknemer diverse malen is overgeplaatst en/of van functie is gewisseld. Bij brief van 13 juli 2011 is werknemer door SIEP overtollig verklaard en op 8 augustus 2011 heeft SIEP een beëindigingsovereenkomst gestuurd die werknemer op 18 oktober 2011 heeft getekend. Op basis van de beëindigingsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en SIEP op 15 januari 2012 geëindigd en heeft werknemer op 12 april 2012 een beëindigingsvergoeding van € 226.305,02 bruto ontvangen. Daarna heeft werknemer in diverse procedures tegen SIEP (en andere aan SIEP gelieerde vennootschappen) herstel van alle rechten uit zijn arbeidsovereenkomst en toelating tot het werk gevorderd. Deze vorderingen zijn telkens afgewezen. In deze procedure vordert werknemer eveneens binnen 24 uur toelating tot het werk en herstel van alle rechten voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. In reconventie vordert SIEP een verbod voor werknemer om vanaf het in deze procedure te wijzen vonnis nog een gerechtelijke procedure – in welke vorm dan ook – aanhangig te maken tegen SIEP.

Oordeel

De kantonrechter ziet in het kader van deze kortgedingprocedure geen ruimte om bij wijze van voorlopige voorziening op een nog te voeren bodemprocedure vooruit te lopen. In de eerste plaats omdat de kantonrechter overneemt hetgeen het hof in het arrest van 16 oktober 2018 heeft overwogen, namelijk dat een beroep om een vaststellingsovereenkomst op grond van een wilsgebrek terzijde te stellen met terughoudendheid dient te worden beoordeeld. Met die overweging bedoelt het hof naar het oordeel van de kantonrechter dat niet te snel of te gemakkelijk aangenomen mag worden dat sprake is van een wilsgebrek, niet in een bodemprocedure en dus zeker niet in een kortgedingprocedure. In het onderhavige geval komt daar nog bij dat uit het enkele (nieuwe) feit dat bepaalde documenten rondom de overtolligheidsverklaring van werknemer niet aanwezig zouden zijn niet meteen aangenomen kan worden dat SIEP hem bedrogen heeft, dat hij als gevolg daarvan gedwaald heeft bij het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst, dat SIEP onrechtmatig heeft gehandeld en of SIEP het voorschrift van artikel 21 Rv heeft overtreden en, zo ja, wat daarvan de gevolgen zouden moeten zijn. Uit hetgeen partijen over en weer in deze kortgedingprocedure hebben gesteld en betwist kan daarom op zich al niet worden aangenomen dat sprake is van een wilsgebrek of onrechtmatig handelen van SIEP, en zeker niet als deze beoordeling met terughoudendheid moet plaatsvinden. In de tweede plaats geldt dat het toewijzen van de vordering van werknemer zeer verstrekkende gevolgen zou hebben, zeker gelet op het feit dat werknemer al meer dan negen jaar niet meer voor SIEP werkzaam is en er een gecompliceerde situatie zou ontstaan als werknemer tot het werk zou worden toegelaten, terwijl in een nog te voeren bodemprocedure anders zou worden geoordeeld. Ten slotte ontbreekt naar het oordeel van de kantonrechter het spoedeisend belang. De vorderingen van werknemer worden derhalve afgewezen. Werknemer heeft reeds een groot aantal procedures tegen SIEP gevoerd en in geen enkele is hij in het gelijk gesteld. Ook heeft hij de proceskostenveroordelingen in die procedures niet voldaan. In alle procedures stond de beëindigingsovereenkomst van 18 oktober 2011 aan de vorderingen van werknemer, direct of indirect, in de weg, omdat partijen elkaar in die overeenkomst over en weer finale kwijting hebben verleend. Dit brengt met zich dat het opnieuw betrekken van SIEP door werknemer in een procedure die terzijdestelling van de beëindigingsovereenkomst tot inzet heeft, vrijwel geen kans van slagen meer zal hebben. Om die reden wijst de kantonrechter de reconventionele vordering van SIEP toe.