Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster c.s.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 11 september 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:7984
Werknemer stelt werkgeefster aansprakelijk voor de schade als gevolg van een arbeidsongeval. Onvoldoende staat vast of werkgeefster aan haar zorgplicht heeft voldaan, waardoor nader onderzoek nodig is.

Feiten

Werknemer heeft met ingang van 14 december 2016 een uitzendovereenkomst gesloten bij werkgeefster. Op 8 maart 2017 is werknemer een arbeidsongeval overkomen. Hij is bij het beklimmen van de shovel uitgegleden en ten val gekomen, waarbij hij drie gebroken ribben en een klaplong heeft opgelopen. In de brief van de Arbeidsinspectie naar aanleiding van het onderzoek naar het arbeidsongeval is opgenomen dat de arbeidsinspecteur geen verband heeft kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het arbeidsongeval. Bij brieven van 30 juli 2018 heeft werknemer werkgeefster aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het arbeidsongeval. In een schriftelijke verklaring van 15 april 2019 heeft een collega van werknemer verklaard dat de arbeidsomstandigheden ter plaatse zeer slecht waren. Werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat werkgeefster aansprakelijk is voor de schade van werknemer ten gevolge van het ongeval en veroordeling van werkgeefster in betaling van een voorschot op de schade. Werkgeefster heeft betwist dat zij aansprakelijk is voor de schade, omdat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Oordeel

Werknemer heeft letsel opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, zodat werkgeefster in beginsel aansprakelijk is voor de schade die werknemer hierdoor lijdt. Dit is slechts anders als werkgeefster aantoont dat zij aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan en de schade niet het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer. Niet gesteld is dat van dit laatste sprake is. Werkgeefster heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de verklaring van werknemer tegenover de arbeidsinspecteur. Werknemer voert aan dat hij tijdens het gesprek zwaar onder de morfine zat en dat zijn verklaring niet juist is weergegeven. De kantonrechter overweegt dat voor zover werknemer tegenover de arbeidsinspecteur heeft verklaard dat hij van mening was dat het ongeval niet was te voorkomen en dat werkgeefster niets valt te verwijten, aan deze verklaring geen betekenis zal worden gehecht, gelet op de conditie waarin werknemer op dat moment verkeerde en dat de vraag of werkgeefster als werkgever aansprakelijk is voor de schade een juridische vraag is. De kantonrechter overweegt dat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat de shovel die werknemer bij zijn werkzaamheden moest gebruiken, en in het bijzonder de kammen van de rupsbanden, in orde waren. Er zal nader onderzoek moeten plaatsvinden door een deskundige die kan vaststellen wat de normen zijn die gelden voor rupsbanden van shovels en of de rupsbanden van de shovel waar werknemer vanaf is gevallen hieraan voldeden. Nu deze procedure een deelgeschil is en zich daarom in beginsel niet leent voor bewijslevering en/of een deskundigenonderzoek, kan op dit moment niet worden vastgesteld of het verweer van werkgeefster dat zij voldaan heeft aan haar zorgplicht zal slagen. De gevorderde verklaring voor recht kan daarom (nog) niet worden gegeven. Aangezien werkgeefster het bestaan en de hoogte van de gestelde schade (deels) heeft betwist en werknemer de door hem gestelde schadeposten nog onvoldoende heeft onderbouwd, wordt het gevraagde voorschot in deze procedure door de kantonrechter afgewezen.