Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 27 mei 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:9255
Feiten
Werkneemster is op 11 april 2016 in dienst getreden bij werkgeefster, met een salaris van laatstelijk € 2.190,24 bruto per maand. In artikel 10 van de arbeidsovereenkomst staat een geheimhoudingsbeding. Op 22 januari 2020 is werkneemster door werkgeefster op staande voet ontslagen wegens het schenden van bedrijfsgeheimen. Partijen twisten over de vraag of het ontslag op staande voet terecht is gegeven.
Oordeel
In de brief van 27 januari 2020 heeft werkgeefster aan het gegeven ontslag ten grondslag gelegd dat er sprake is van het schenden van bedrijfsgeheimen. Werkgeefster heeft in de ontslagbrief echter niet duidelijk gemaakt welk handelen van werkneemster maakt dat zij bedrijfsgeheimen van werkgeefster heeft geschonden en welke bedrijfsgeheimen dat dan zou betreffen. Voor zover werkgeefster heeft bedoeld dat het mogelijk niet, of niet juist naleven van voorschriften van de overheid is aan te merken als een bedrijfsgeheim dat een medewerker niet mag melden aan een instantie, kan de kantonrechter dit niet volgen. Voorschriften van de overheid zijn niet als bedrijfsgeheimen aan te merken. En het melden van het niet naleven van deze voorschriften aan een instantie als de GGD is evenmin aan te merken als het schenden van bedrijfsgeheimen. Dat werkneemster werkgeefster heeft bedreigd door naar de GGD te willen stappen, hetgeen gemotiveerd is weersproken door werkneemster, is geen gegronde reden om het zwaarste arbeidsrechtelijke middel van een werkgever in te zetten tegen deze werknemer. Tevens is redengevend dat niet vaststaat dat de gronden van het ontslag die in de brief van 27 januari 2020 zijn genoemd (het vermeend niet functioneren, het schenden van geheimhoudingsplicht dan wel bedrijfsgeheimen, bedreiging) aan werkneemster kenbaar zijn gemaakt tijdens het gesprek op 22 januari 2020. De kantonrechter zal de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 7.500. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat werkneemster naar verwachting niet lang zonder werk zal zitten gezien haar ervaring in de kinderopvang en anderzijds dat het ontslag op staande voet zonder geldige reden is gegeven. Ter zake van de door werkgever gevorderde boete van € 500 vanwege het schenden van de geheimhoudingsplicht en de schadevergoeding van € 25.000 ter zake van smaad, wordt overwogen dat deze vorderingen als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Werkneemster heeft gemotiveerd weersproken dat zij een geheimhoudingsplicht heeft geschonden en dat er sprake is van smaad dan wel schade.