Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Novon Schoonmaak Gebouwen B.V.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 22 september 2020
ECLI:NL:RBOVE:2020:3166
Vaststelling hoogte van de transitievergoeding bij opvolgend werkgeverschap na heraanbesteding aan de hand van de toetsing aan het zodanige banden-criterium uit het arrest Wolters/Van Tuinen.

Feiten

Werkneemster is op 10 mei 2007 als schoonmaakster in dienst getreden bij schoonmaakbedrijf Novon Schoonmaak Gebouwen B.V. (hierna: Novon). Werkneemster is per die datum tewerkgesteld op het object Artez. In december 2008 heeft het schoonmaakbedrijf ISS als gevolg van een heraanbesteding het object Artez verworven. Werkneemster heeft aansluitend op grond van een met ISS gesloten arbeidsovereenkomst haar werkzaamheden op het object Artez voortgezet. Op 1 februari 2014 is het object Artez als gevolg van een nieuwe heraanbesteding wederom aan Novon gegund. Werkneemster heeft toen haar werkzaamheden op het object Artez voortgezet op grond van een met Novon gesloten arbeidsovereenkomst. Op 13 februari 2017 is werkneemster wegens ziekte uitgevallen. Op 4 september 2019 heeft Novon bij het UWV een aanvraag voor een ontslagvergunning wegens langdurige arbeidsongeschiktheid ingediend. Het UWV heeft hiertoe toestemming gegeven bij besluit van 7 november 2019. Bij de afwikkeling van het dienstverband is een transitievergoeding van € 2.882,91 door Novon betaald. Werkneemster verzoekt Novon te veroordelen tot betaling van primair € 17.180,96 en subsidiair € 6.758,17 aan (restant) transitievergoeding. Daartoe stelt werkneemster dat Novon de transitievergoeding onjuist heeft berekend, omdat zij ten onrechte is uitgegaan van een indiensttreding per 1 februari 2014.

Oordeel

De kantonrechter komt tot het oordeel dat Novon nog een bedrag van € 6.758,17 aan transitievergoeding moet nabetalen. Daartoe overweegt de kantonrechter dat partijen van mening verschillen over de relevante duur van de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en Novon. De kantonrechter is van oordeel dat er ten aanzien van de schoonmaakwerkzaamheden die werkneemster vanaf 2007 op het object Artez heeft verricht steeds sprake is geweest van opvolgend werkgeverschap tussen Novon en ISS. Daartoe is van belang dat tussen partijen vaststaat dat de werkzaamheden die werkneemster vanaf 2007 heeft verricht, ondanks de verandering van de werkgever, steeds hetzelfde zijn gebleven. De arbeidsovereenkomst bij de nieuwe werkgever van werkneemster eiste nog dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden van werkneemster als de overeenkomst bij de vorige werkgever. Ook de vraag of tussen de vorige werkgever en de nieuwe werkgever steeds zodanige banden hebben bestaan dat het door de vorige werkgever op grond van zijn ervaringen met werkneemster verkregen inzicht in haar hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever, beantwoordt de kantonrechter bevestigend. Omdat sprake is van opvolgend werkgeverschap, dient voor de duur van de arbeidsovereenkomst, die op grond van artikel 7:673 lid 4 BW bepalend is voor de hoogte van de transitievergoeding, de periode van 10 mei 2007 in aanmerking te worden genomen, toen werkneemster voor Novon met haar werkzaamheden op het object Artez begon. Anders dan werkneemster ziet de kantonrechter geen reden om ook de periode vanaf 26 augustus 1993 tot 10 mei 2007 bij de relevante duur van de arbeidsovereenkomst te betrekken, aangezien zij in die periode voor ISS op het object Oranjekazerne werkte. De kantonrechter deelt niet de opvatting dat er voor 10 mei 2007 tussen ISS en Novon sprake is geweest van overgang van onderneming. Nu Novon de hoogte van het subsidiaire verzoek niet heeft bestreden, wordt het bedrag van € 6.758,17 aan transitievergoeding toegewezen.