Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Kronenburgh
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 22 september 2020
ECLI:NL:GHDHA:2020:1767
Ondanks twee akten van benoeming was sprake van één arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Werkgever is niet gehouden om alsnog een contract voor bepaalde tijd aan te bieden. ZAPO-uitkering toegewezen.

Feiten

Werkneemster is op 4 december 2017 in dienst getreden bij Stichting Kronenburgh op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van 12 maanden. De arbeidsovereenkomst van werkneemster is op 4 december 2018 verlengd tot en met 31 juli 2019. Ter zake van deze verlenging zijn op 16 november 2018 twee afzonderlijke akten van benoeming opgemaakt, één voor de periode van 4 december 2018 tot en met 28 februari 2019 en één voor de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 juli 2019. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao voor het primair onderwijs (Cao-PO) van toepassing. Op 4 oktober 2018 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden waaruit volgde dat het functioneren van werkneemster te wensen overlaat. Op 25 mei 2019 is werkneemster ziek geworden. Tijdens haar arbeidsongeschiktheid heeft werkneemster op 1 juli 2019 tevens een van haar enkels gebroken en de andere enkel verstuikt. Bij brief van 23 juli 2019 heeft Kronenburgh aan werkneemster meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst na 31 juli 2019 niet zal worden voortgezet, vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de uitgeoefende functie. Aan werkneemster is door het UWV met ingang van 1 augustus 2019 een Ziektewetuitkering toegekend. Werkneemster vorderde in eerste aanleg vernietiging van de opzegging, dan wel een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft Kronenburgh veroordeeld tot betaling van de aanzegvergoeding, en heeft de overige vorderingen van werkneemster afgewezen.

Oordeel

Het hof is van oordeel dat sprake is van één (verlengde) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, hetgeen niet in strijd is met de Cao-PO en evenmin heeft geleid tot het ontstaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat voor deze periode door Kronenburgh twee aparte, opeenvolgende, akten van benoeming zijn opgemaakt is onvoldoende zwaarwegend om te oordelen dat sprake is geweest van twee afzonderlijke (voor de ketenregeling relevante) arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Het opmaken van twee akten van benoeming had slechts een administratieve/technische reden. Voorts oordeelt het hof dat Kronenburgh er terecht op heeft gewezen dat werkneemster in de periode van 4 december 2018 tot en met 31 juli 2019 niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst met een tijdsduur van twaalf maanden, maar met een kortere tijdsduur. De in artikel 3.8 lid 3 van de Cao-PO genoemde aanzegtermijn van twee maanden is gelet op de in dit artikel uitdrukkelijk vermelde ‘tijdsduur van twaalf maanden’ dan ook niet van toepassing op de situatie van werkneemster. Het hof stelt vervolgens vast dat aan werkneemster een ziektewetuitkering is toegekend en op grond van de ZAPO heeft werkneemster vanaf het einde van haar dienstverband gedurende maximaal twaalf maanden (ingaande op haar eerste ziektedag) recht op een ZAPO-uitkering die wordt verminderd met deze Ziektewetuitkering. Als eerste ziektedag gaat het hof uit van 25 mei 2019. Dat zij op 1 juli 2019, naast de reeds bestaande arbeidsongeschiktheid, tevens haar enkels heeft gebroken/verstuikt betekent niet dat toen een nieuwe ziekteperiode ging lopen. Het verweer van Kronenburgh dat de ZAPO-uitkering eindigt op 7 november 2019, aangezien werkneemster op dat moment door de bedrijfsarts volledig arbeidsgeschikt is bevonden, wordt verworpen. De ZAPO-uitkering is dan ook toewijsbaar. Tot slot is het hof van oordeel dat van een verplichting van Kronenburgh op grond van artikel 7:611 BW om aan werkneemster alsnog een contract voor onbepaalde tijd aan te bieden, althans om aan haar een schadevergoeding te betalen, geen sprake kan zijn, nu niet aannemelijk is geworden dat werkneemster op het moment dat zij in mei 2019 ziek werd goed functioneerde.