Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Mayfran Limburg B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 23 september 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:7222
Uitleg deskundigenoordeel ten behoeve van loondoorbetaling van arbeidsongeschikte werknemer, aan wie een loonstop was opgelegd wegens het niet verrichten van passende arbeid.

Feiten

Werknemer is per 15 september 2018 krachtens arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden in dienst getreden van Mayfran Limburg B.V. (hierna: Mayfran) als allround mechatronicamonteur voor 40 uur per week. Op 17 oktober 2018 heeft werknemer zich ziek gemeld. Vanaf 8 november 2018 is hij voor vier uur per dag gaan hervatten in aangepast werk in de zogenoemde clean room. De arbo-arts heeft op 1 februari 2019 geadviseerd om vanaf 28 februari 2019 de werkzaamheden uit te breiden naar zes uur per dag, maar werknemer heeft op 18 februari 2019 telefonisch aan Mayfran laten weten dat hij het niet eens is met dat advies en heeft zich tegelijkertijd toegenomen (volledig) arbeidsongeschikt gemeld. Op 9 april 2019 heeft het UWV, op aanvraag van werknemer, een deskundigenoordeel gegeven. De verzekeringsarts oordeelde wel dat hij zich kan vinden in de visie van de bedrijfsarts dat werknemer zes uur per dag kan werken, mits het rug- en met name kniesparend werk is. Mayfran heeft de bedrijfsarts gevraagd een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op te stellen, hetgeen zij op 7 mei 2019 ook gedaan heeft, samen met werknemer. De aangeboden werkzaamheden houden volgens Mayfran rekening met de beperkingen van werknemer en werknemer heeft dat werk op 8 mei 2019 weer voor zes uur per dag hervat. Op 13 mei 2019 heeft werknemer het werk weer gestaakt omdat hij het naar eigen zeggen ‘niet volhield’. Hierop heeft Mayfran bij brief van diezelfde datum aan werknemer te kennen gegeven dat hij weigert passende arbeid te verrichten en dat zij de loonbetaling volledig staakt totdat hij het aangeboden passende werk weer hervat. Dit wordt gevolgd door een periode waarin werknemer dan weer wel en dan weer niet op het werk verscheen, maar vanaf 21 juni 2019 is hij niet meer op het werk verschenen. Volgens het door Mayfran aangevraagde deskundigenoordeel van het UWV van 24 juni 2019 is het aangeboden werk wel passend. Op 2 juli 2019 heeft werknemer zich opnieuw (toegenomen) ziek gemeld, welke ziekmelding door Mayfran niet is ‘geaccepteerd’.  Werknemer heeft daarop opnieuw een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Volgens het arbeidsdeskundig rapport d.d. 14 september 2019 is het aangeboden aangepaste werk op 2 juli 2019 niet passend. Bij kortgedingvonnis van 1 oktober 2019 is Mayfran onder meer veroordeeld om het overeengekomen loon volledig door te betalen vanaf 2 juli 2019 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Ter zake van het loon voorafgaand aan 2 juli 2019 is in het kortgedingvonnis onder meer overwogen dat het deskundigenoordeel van 24 juni 2019 naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aldus dient te worden uitgelegd dat in de periode daarvóór (vanaf november 2018) het aangeboden aangepaste werk in de clean room wel passend was. In deze procedure vordert werknemer onder meer achterstallig loon, berekend over de periode van 1 februari 2019 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, daarbij uitgaande van een volledig recht op het overeengekomen loon, afgezet tegen het loon plus ziekengeld dat hij in die periode heeft ontvangen.

Oordeel

Werknemers betoog heeft geen aanleiding gegeven om in de bodemprocedure anders te oordelen over de vraag hoe het deskundigenoordeel van het UWV van 24 juni 2019 uitgelegd dient te worden. Dat oordeel luidt dan ook thans niet anders. Daarmee had het dus op de weg van werknemer gelegen om concreet te duiden over welke periodes hij – met inachtneming van het gegeven dat sprake was van passende arbeid en dat hij die voor zes uur per dag kon verrichten – recht op loon had en het niet heeft ontvangen, maar hij heeft dat nagelaten. Daarbij dient dan ook nog eens in aanmerking te worden genomen dat Mayfran terecht verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1341). De opmerking die Mayfran daarover maakt, is correct. De loonvordering kan daarom niet slagen.