Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/Electromotorenfabriek Zuid-Nederland B.V. en HDI Gerling Verzekeringen N.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 30 september 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:7633
Arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet van toepassing. Werknemer heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat er een causaal verband is tussen zijn klachten en de werkzaamheden.

Feiten

Werknemer is van 3 september 1984 tot 1 december 2012 krachtens arbeidsovereenkomst bij Electromotorenfabriek Zuid-Nederland B.V. (hierna: EZN) in dienst geweest in de functie van wikkelaar. Op 30 november 2010 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van ziekte. Bij brief van 10 april 2019 heeft (de gemachtigde van) werknemer EZN aansprakelijk gesteld voor door hem geleden schade als gevolg van de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij EZN. HDI Gerling Verzekeringen N.V. (hierna: HDI) is de aansprakelijkheidsverzekeraar van EZN. Op grond van artikel 7:954 BW heeft werknemer HDI in deze procedure betrokken. Partijen twisten over de vraag of EZN ex artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van werknemer.

Oordeel

Verjaring

De kantonrechter is van oordeel dat werknemer door middel van de brief van 7 december 2015 verjaring van zijn gepretendeerde rechtsvordering tot schadevergoeding tijdig en rechtsgeldig heeft gestuit. Uit de inhoud van deze brief kon EZN voldoende duidelijk afleiden waartegen zij zich eventueel had te verweren. Nu voor de aanvang van de verjaringstermijn niet is vereist dat degene die weet dat er schade is geleden ook bekend is met de exacte oorzaak van de schade en de juridische grondslag van zijn vordering, kan aan het rechtsgeldig stuiten van de verjaringstermijn niet de eis gesteld worden dat bij de stuitingshandeling steeds de exacte feitelijke en juridische grondslagen genoemd worden. Een dergelijke eis wordt in artikel 3:317 BW ook niet gesteld. Het vorenstaande leidt ertoe dat de lopende verjaring met voormelde brief is gestuit en een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar aanving.

Aansprakelijkheid

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is. De kantonrechter stelt vast dat partijen elk een volstrekt andere visie hebben over de arbeidsomstandigheden van werknemer in de gestelde periode. EZN en HDI (die zich volledig schaart achter het verweer van EZN en dat tot het hare heeft gemaakt) hebben de stellingen van werknemer over de arbeidsomstandigheden bij EZN gemotiveerd betwist. Van werknemer had dan ook een nadere onderbouwing mogen worden verwacht van de door hem gestelde arbeidsomstandigheden bij EZN. Werknemer heeft zijn stelling ten aanzien van de beweerdelijke blootstelling in het oude pand in het geheel niet geconcretiseerd dan wel van een feitelijke uitwerking en onderbouwing voorzien. Nu deze (nadere) onderbouwing ontbreekt, kunnen de stellingen van werknemer over de arbeidsomstandigheden bij EZN niet als vaststaand worden aangenomen. Dat de klachten van werknemer (kunnen) zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden bij EZN is niet komen vast te staan. Feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat er sprake was van zodanige arbeidsomstandigheden bij EZN dat op grond daarvan kan worden vastgesteld dat de klachten van werknemer door het werk (en niet door andere oorzaken) zijn ontstaan, zijn niet gebleken. De in het geding gebrachte stukken bieden onvoldoende steun en onderbouwing voor dit standpunt van werknemer. Dit alles leidt tot het oordeel van de kantonrechter dat het verband tussen de gezondheidsklachten van werknemer en de arbeidsomstandigheden te onbepaald en te onzeker is. Dit betekent – zo volgt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2013 – dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in dit geval niet van toepassing is en op werknemer de volledige stelplicht en bewijslast rust. Werknemer dient op grond van artikel 7:658 lid 2 BW te stellen en zo nodig te bewijzen dat zijn klachten in de uitoefening van zijn werkzaamheden zijn ontstaan. Het ligt dus op de weg van werknemer om de oorzakelijke relatie tussen zijn klachten enerzijds en de uitgeoefende werkzaamheden anderzijds aan te tonen. Pas indien werknemer hierin slaagt, is de vraag aan de orde of EZN de op haar rustende zorgplicht is nagekomen. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de omkeringsregel is overwogen, volgt dat werknemer ook bij toepassing van de gewone bewijslastverdeling niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Werknemer heeft, gelet op de betwisting door EZN en HDI, onvoldoende onderbouwd gesteld dat er een causaal verband is tussen zijn gezondheidsklachten, zijn werkzaamheden bij EZN en de door hem gestelde omstandigheden waaronder die werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Dat maakt dat de kantonrechter niet aan verdere bewijslevering door werknemer toekomt. Nu werknemer niet is geslaagd in de op hem rustende stelplicht ten aanzien van het causale verband tussen de arbeidsomstandigheden en zijn gezondheidsschade, komt de kantonrechter niet toe aan een verdere beoordeling van het geschil, te weten of EZN haar zorgplicht heeft geschonden. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.