Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting ASVZ
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 september 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:8835
Verzoek van werkneemster in kort geding tot wedertewerkstelling na herziene arbeidsongeschiktheidsbeslissing wordt afgewezen. Het is onverantwoord na een lange periode van arbeidsongeschiktheid direct in dienst te treden in haar oude functie.

Feiten

Werkneemster is sinds 9 maart 2009 in dienst van Stichting ASVZ (hierna: ASVZ) in de functie van senior administratief medewerker voor 24 uur per week. Werkneemster is per 4 december 2017 arbeidsongeschikt. Het UWV heeft werkneemster bij beslissing van 6 november 2019 een WGA-uitkering toegekend per 2 december 2019. Werkneemster is hierbij voor 46,61% arbeidsongeschikt verklaard. Werkneemster heeft op 17 december 2019 bezwaar aangetekend tegen de beslissing van het UWV. Met ingang van 21 april 2020 is de re-integratie van werkneemster bij ASVZ aangevangen. In haar beslissing op bezwaar van 5 juni 2020 heeft het UWV het bezwaar van werkneemster gegrond verklaard. Daartoe heeft het UWV overwogen dat werkneemster niet arbeidsongeschikt is en geschikt is voor haar eigen werk. Bij beslissing van 18 juni 2020 heeft het UWV aan werkneemster medegedeeld dat zij uiterlijk 31 december 2020 een bedrag  aan te veel betaalde WGA-uitkering terug dient te betalen. ASVZ is op 2 juli 2020 tegen de beslissing op bezwaar van het UWV in beroep gegaan bij de bestuursrechter. Werkneemster heeft in kort geding gevorderd ASVZ te bevelen werkneemster toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden in de functie van administratief medewerkster voor 24 uur per week en aan werkneemster het salaris over 2 december 2019 tot 1 juli 2020 te betalen. Hieraan legt zij ten grondslag dat zij vanaf 2 december 2019 weer in staat is haar volledige werkzaamheden te verrichten. 

Oordeel

Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag voor wiens risico de gevolgen zijn van de herziene beslissing van het UWV van 5 juni 2020, door middel van welke beslissing het UWV geoordeeld heeft dat werkneemster vanaf 2 december 2019 geschikt is voor het verrichten van haar eigen werkzaamheden en geen recht heeft op een WIA-uitkering. Werkneemster stelt dat dit in de risicosfeer van ASVZ ligt, hetgeen door ASVZ wordt betwist. De kantonrechter volgt de stelling van ASVZ dat het niet verantwoord is om, na een  langdurige periode van arbeidsongeschiktheid, ineens over te gaan tot het laten terugkeren van werkneemster in haar oude functie met een volledige inzet van haar contracturen. Dit standpunt is bovendien in lijn met de re-integratie zoals deze door ASVZ op advies van de bedrijfsarts is ingezet. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat de gevorderde wedertewerkstelling thans in kort geding niet toewijsbaar is. Datzelfde geldt voor het gevorderde loon vanaf 2 december 2019 tot aan het moment dat werkneemster met haar re-integratiewerkzaamheden is gestart, te weten 21 april 2020. ASVZ heeft erkend dat werkneemster met ingang van 21 april 2020 werkzaamheden verricht waar loonwaarde tegenover staat. Daar zijn enkele loonbetalingen voor gedaan, maar nog niet al het verschuldigde loon is betaald. Bovendien heeft ASVZ erkend dat daarbij het loon is berekend op basis van een lagere salarisschaal dan contractueel overeengekomen. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat de loonvordering van werkneemster zal worden toegewezen vanaf 21 april 2020. Daarbij is de wettelijke verhoging toewijsbaar.