Naar boven ↑

Rechtspraak

FT/Universitatea Sibiu
Hof van Justitie van de Europese Unie, 8 oktober 2020
ECLI:EU:C:2020:810
Gepensioneerde academici met ius promovendi wel en andere niet in vaste dienst met verschil in beloning, leidt tot inbreuk op non-disciriminatieverbod Richtlijn tijdelijke arbeid.

Feiten

Van 1994 tot 2015 was FT universitair hoofddocent aan de Universiteit met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Toen FT op 11 juni 2015 de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar bereikte, kon zij vanwege interne regels haar dienstverband enkel (op een uitzondering na) op tijdelijke basis voortzetten. FT heeft vanaf 2016 met de Universiteit opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten voor dezelfde academische werkzaamheden die zij daarvóór had verricht, met een beloningssysteem van ‘betaling per uur’, waaruit inkomsten voortvloeiden die lager waren dan de beloning voor een docent met een vaste aanstelling. De verwijzende rechter stelt vragen aan het Hof van Justitie EU.

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.

Ongelijke behandeling op grond van leeftijd? 

Met het eerste onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 2000/78/EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van een nationale regeling op grond waarvan uitsluitend de docenten van een academische instelling die tevens promotor zijn en die hun beroep na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd bij die instelling blijven uitoefenen, hun vaste aanstelling als docent kunnen behouden, terwijl de docenten die geen promotor zijn met die instelling enkel arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen sluiten met een beloningssysteem dat inferieur is aan dat van docenten met een vaste aanstelling.  

Vastgesteld moet worden dat het verschil in behandeling dat in het hoofdgeding aan de orde is niet onder een van de in dat artikel 1 genoemde gronden valt. In het bijzonder kan een dergelijk verschil in behandeling niet zijn gebaseerd – zelfs niet indirect – op leeftijd, aangezien zowel de door de nationale regeling bevoordeelde als de daardoor benadeelde personen in dezelfde leeftijdsgroep vallen, namelijk de groep personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt. Het verschil in behandeling naargelang de betrokken persoon al dan niet promotor is, berust namelijk op de beroepscategorie van de betrokken personen. Het Hof van Justitie heeft reeds geoordeeld dat Richtlijn 2000/78/EG niet ziet op discriminatie op grond van een dergelijk criterium (zie in die zin HvJ EU 21 mei 2015, C-262/14, ECLI:EU:C:2015:336 (SCMD), punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat een situatie als in het hoofdgeding niet valt binnen het door artikel 2 lid 2 Richtlijn 2000/78/EG vastgestelde algemeen kader ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie op het werk.

Onderscheid tijdelijk en vast? 

Met het tweede onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan de toepassing van een nationale regeling op grond waarvan uitsluitend de docenten van een academische instelling die tevens promotor zijn en die hun beroep na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd bij die instelling blijven uitoefenen, hun vaste aanstelling als docent kunnen behouden, terwijl de docenten die geen promotor zijn met die instelling enkel arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen sluiten met een beloningssysteem dat inferieur is aan dat van docenten met een vaste aanstelling. 

Volgens het Hof van Justitie moet de verwijzingsrechter nagaan of het feit dat gepensioneerde docenten in vaste dienst tevens promotor zijn, veronderstelt dat de aard van hun werk en hun opleidingsvoorwaarden verschillen van die van een docent als FT. Als dit niet zo is, dan is sprake van gelijke of gelijkwaardige arbeid en moet het onderscheid objectief gerechtvaardigd worden. De objectieve rechtvaardiging kan niet liggen in louter budgettaire keuzes.

 Gelet op een en ander dient op het tweede onderdeel van de eerste vraag te worden geantwoord dat clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan de toepassing van een nationale regeling op grond waarvan uitsluitend de docenten van een academische instelling die tevens promotor zijn en die hun beroep na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd bij die instelling blijven uitoefenen, hun vaste aanstelling als docent kunnen behouden, terwijl de docenten die geen promotor zijn met die instelling enkel arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen sluiten met een beloningssysteem dat inferieur is aan dat van docenten die wel promotor zijn, voor zover de eerste categorie docenten bestaat uit werknemers in vaste dienst die vergelijkbaar zijn met de werknemers uit de tweede categorie en het verschil in behandeling – dat met name betrekking heeft op de beloningsregeling – niet wordt gerechtvaardigd door een objectieve reden, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.