Naar boven ↑

Rechtspraak

X/MAE Holding B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 16 september 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:7610
Overeenkomst van opdracht is geen arbeidsovereenkomst. Niet gebleken dat de feitelijke uitvoering verschilde van de schriftelijke overeenkomst.

Feiten

X verrichtte sinds 1 september 2015 registratiewerkzaamheden voor MAE Holding B.V. (hierna: MAE). Per 1 januari 2019 verrichtte X daarnaast farmocovigilantiewerkzaamheden (‘PV-werkzaamheden’); deze werkzaamheden werden tot 1 januari 2019 door het bedrijf Interdos gedaan. Op 1 september 2015 hebben X en MAE een overeenkomst van opdracht ondertekend. X schrijft per e-mail van 8 maart 2019 en 27 maart 2019 dat de werkbelasting te veel is en er dringend hulp nodig is in de vorm van mensen met ervaring. Op 1 april 2019 heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan MAE een aankondiging van een farmacovigilantie-inspectie gestuurd. Bij brief van 18 juni 2019 heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd het rapport aan MAE toegezonden. In de begeleidende brief is onder meer aangegeven dat er een overtreding is geconstateerd. Op 14 mei 2019 heeft X de overeenkomst van 1 september 2015 opgezegd met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden. Vanaf augustus 2019 zijn de PV-werkzaamheden weer door Interdos verricht. Op 8 augustus 2019 heeft de gemachtigde van MAE X per brief geïnformeerd over het opschorten van de betaling van openstaande facturen. MAE is met verwijzing naar het inspectierapport van mening dat sprake is van wanprestatie en X aansprakelijk is voor de ontstane schade.  X vordert onder meer dat de kantonrechter MAE veroordeelt tot betaling van € 51.761,30, voor haar werkzaamheden in mei, juni en juli 2019. X legt primair aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat tussen X en MAE sprake was van een arbeidsovereenkomst. MAE betwist de vordering en voert onder meer aan dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en dit ook nooit de bedoeling van partijen is geweest.

Oordeel

Vast staat dat X sinds 1 september 2015 arbeid heeft verricht en daarvoor, in ieder geval tot mei 2019, een beloning in de vorm van betaalde facturen heeft ontvangen. Aldus wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, welk rechtsvermoeden MAE gelet op haar betwisting dient te weerleggen. De kantonrechter is van oordeel dat MAE hierin is geslaagd. De omstandigheden die door de kantonrechter van belang worden geacht zijn dat X en MAE op 1 september 2015 uitdrukkelijk een overeenkomst van opdracht hebben gesloten, dat X haar voor MAE gewerkte uren aan MAE factureerde en daarbij btw declareerde, dat X niet alleen haar eigen uren aan MAE factureerde maar ook die van een zzp’er althans medewerker van X, en dat X geen vakantietoeslag ontving en ook niet doorbetaald werd tijdens vakantie of ziekte. Daarnaast wordt van belang geacht dat X in beginsel 8 uur per week voor MAE werkte en daarnaast andere opdrachtgevers had, dat zij gedurende de tussen partijen bestaande overeenkomst offertes aan MAE zond voor andere opdrachten en dat X de overeenkomst van opdracht conform de inhoud van die overeenkomst heeft opgezegd. Het is dan ook niet gebleken dat de feitelijke uitvoering verschilde van de schriftelijke overeenkomst van 1 september 2015. Naar het oordeel van de kantonrechter kan, gelet op voornoemde omstandigheden niet tot de conclusie worden gekomen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond. Hieraan doet naar het oordeel van de kantonrechter niet af dat MAE X instructies gaf ten aanzien van de werkzaamheden, nu een opdrachtnemer ook in het geval van een overeenkomst van opdracht gehouden is of kan zijn om aanwijzingen van de opdrachtgever op te volgen omtrent de uitvoering van de opdracht. Ook doet hier niet aan af dat X in een team van werknemers van MAE werkte en naar buiten trad als werknemer van MAE. In de gegeven omstandigheden is niet doorslaggevend dat de overeenkomst geen afgebakende opdracht bevat. X heeft, in reactie op de betwisting door MAE, verder niet aannemelijk gemaakt dat zij niet vrij zou zijn om te bepalen wanneer zij een vrije dag nam en dat zij verplicht was de arbeid persoonlijk te verrichten.