Rechtspraak
Rechtbank Den Haag, 12 november 2020Feiten
Werknemer is op 1 maart 1997 bij Centric in dienst getreden en laatstelijk werkzaam geweest in de functie van directeur met als titel Chief Commercial Officer tegen een salaris van € 23.090,91 bruto per maand. Werknemer is op 8 juli 2019 door Centric vrijgesteld van werkzaamheden dan wel op non-actief gesteld. Op 10 september 2019 heeft werknemer een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter te Gouda. De mondelinge behandeling zou plaatsvinden op 17 oktober 2019. In de aanloop naar de mondelinge behandeling hebben partijen onderhandeld over een minnelijke regeling. Bij e-mail van 17 oktober 2019 heeft Centric onder meer de volgende uitgangspunten voor een regeling toegestuurd aan werknemer: (1) Bonus € 50.000 bruto, (2) Vergoeding € 525.000 bruto, (3) Kosten rechtsbijstand € 15.000, (4) Verval concurrentiebeding. Relatiebeding tot 1 juli 2020 voor twintig door Centric te benoemen relaties en (5) Vastlegging in vaststellingsovereenkomst. Werknemer heeft hierop op 17 oktober 2019 akkoord gegeven en een concept-vso aan Centric verzonden. Op 22 oktober 2019 heeft Centric een aangepast concept-vso teruggezonden. Partijen hebben vervolgens nader met elkaar over de juridische kosten gecorrespondeerd en na verloop van tijd hebben partijen een vergoeding voor juridische kosten van€ 17.500 bruto afgesproken. Werknemer heeft de aangepaste vso op 25 november 2019 aan Centric toegezonden. Werknemer heeft daarna diverse malen om afwikkeling van de vso verzocht. Bij e-mail van 17 december 2019 heeft Centric verzocht aan de lijst met relaties KPN, KPN IT en Cegeka toe te voegen. Werknemer heeft daarop onder meer laten weten dat de genoemde partijen, met uitzondering van KPN, geen relaties van Centric zijn. Ondanks herhaald verzoek heeft Centric geen getekende vso aan werknemer toegezonden. Bij beschikking van 3 maart 2020 heeft de kantonrechter te Gouda de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden. Aan werknemer is bij die beschikking een transitievergoeding, billijke vergoeding, bonus, vakantiegeld en een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen toegekend. Centric heeft de desbetreffende bedragen uitbetaald, maar heeft ook tegen de beschikking hoger beroep ingesteld. Werknemer vordert Centric te veroordelen aan hem onder meer te betalen een bedrag van € 525.000 bruto (de beëindigingsvergoeding), € 50.000 bruto (de bonus over 2018) te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente, € 17.500 bruto (de vergoeding voor juridische kosten) te vermeerderen met wettelijke rente.
Oordeel
Totstandkoming beëindigingsovereenkomst
De kantonrechter is van oordeel dat partijen op 17 oktober 2019 overeenstemming hebben bereikt over de in de e-mail van de advocaat van Centric genoemde punten. Daarmee is een beëindigingsovereenkomst tot stand gekomen. De e-mail spreekt weliswaar over uitgangspunten, maar naar het oordeel van de kantonrechter bevat zij alle van belang zijnde punten voor een beëindigingsovereenkomst. Dat uiteindelijk Centric de opgestelde vaststellingsovereenkomst niet heeft ondertekend maakt dat niet anders. Met de uitwisseling van de e-mails is naar het oordeel van de kantonrechter voldaan aan de voorwaarde als bepaald in artikel 7:670b BW dat een beëindiging van een arbeidsovereenkomst alleen geldig is indien deze schriftelijk is aangegaan. Voorts kan naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid uit de e-mails niet de conclusie worden getrokken dat de afspraken eerst geldig zouden zijn nadat beide partijen een vaststellingsovereenkomst zouden hebben ondertekend. Weliswaar staat in de e-mail dat de afspraken zullen worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, maar niets duidt erop dat er nog ruimte bestond om van de gemaakte afspraken af te wijken. Partijen hebben na 17 oktober 2019 opnieuw gesproken over de kosten van rechtsbijstand. Zij hadden discussie over de vraag of de overeengekomen kosten van rechtsbijstand bruto of netto uitgekeerd zouden worden. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het daarbij om de (rechts)gevolgen van de gemaakte afspraak dan wel de uitleg hiervan en niet om de afspraak zelf. Partijen hebben in december 2019 nog met elkaar gesproken over het overeengekomen relatiebeding. Centric kan zich naar het oordeel van de kantonrechter niet op het standpunt stellen dat partijen geen overeenstemming hadden over het relatiebeding. Uit de e-mail van 17 oktober 2019 volgt dat Centric twintig relaties mocht benoemen en dat daarvoor het relatiebeding zou gelden. Daar viel derhalve weinig meer over te onderhandelen. Dat Centric uiteindelijk geen lijst met twintig relaties aan werknemer heeft verstrekt, kan zij werknemer niet tegenwerpen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat werknemer in beginsel nakoming van de op 17 oktober 2019 gemaakte afspraken kan vorderen.
Dwaling
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Centric het beroep op dwaling onvoldoende onderbouwd. Centric heeft niet gesteld wanneer werknemer had moeten spreken dan wel wanneer werknemer uitzicht had op een dienstverband met Cegeka. Zij heeft enkel gesteld dat werknemer tijdens een gesprek op 4 juli 2019 heeft gezegd nooit naar Cegeka te zullen gaan en dat zij medio november 2019 het vermoeden kreeg dat werknemer reeds een baan bij Cegeka in het vooruitzicht had. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat onvoldoende gelet op het feit dat partijen op 17 oktober 2019 afspraken hebben gemaakt en onderdeel van deze afspraken was dat het concurrentiebeding (geheel) zou komen te vervallen. Vanaf dat moment mocht Centric er (in elk geval) niet meer op vertrouwen dat werknemer niet meer bij een concurrent, waaronder Cegeka, in dienst zou kunnen treden en had werknemer ook niet anders hoeven te begrijpen. Het beroep op dwaling en vernietiging van de beëindigingsovereenkomst slaagt daarom niet.
Wettelijke verhoging over bonus
Tijdens de mondelinge behandeling heeft werknemer zijn eis in die zin verminderd dat hij nog enkel de wettelijke verhoging vordert over de bonus. Centric heeft als verweer tegen de wettelijke verhoging aangevoerd dat deze niet is verschuldigd nu het niet om achterstallig loon gaat, maar om nakoming van een beëindigingsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat in een beëindigingsovereenkomst is opgenomen dat loon of een bonus dient te worden betaald, niet meebrengt dat het dan geen loon meer is in de zin van artikel 7:625 BW. Nu Centric niet heeft weersproken dat op grond van de afspraak de bonus op zichzelf moet worden betaald en zij deze (blijkbaar) eerst heeft betaald na de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter van 3 maart 2020, is zij wettelijke verhoging over de bonus verschuldigd. Gelet op deze betaling en de overige omstandigheden matigt de kantonrechter de wettelijke verhoging tot 25%. De kantonrechter veroordeelt Centric tot volledige betaling van de overeengekomen bedragen en gaat ervan uit dat partijen zelf voor verrekening zorg zullen dragen, zodat niet ten onrechte cumulatie plaatsvindt.