Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 26 augustus 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:7608
Feiten
Werknemer is op 17 mei 2017 in dienst getreden bij werkgever. De laatstelijk door partijen overeengekomen arbeidsovereenkomst is ingegaan op 1 juli 2018 en geëindigd op 30 april 2019. Bij e-mail van 30 november 2018 heeft werknemer zich ziek gemeld bij werkgever. Op diezelfde dag heeft een verzuimrapporteur een huisbezoek afgelegd bij werknemer, waarbij werknemer thuis is aangetroffen. Naar aanleiding van het spreekuur van 1 februari 2019 heeft de bedrijfsarts werkhervatting voor maximaal 4 uur per dag geadviseerd. Werknemer heeft zich op 4, 6, 8 en 11 februari 2019 afgemeld voor de te verrichten werkzaamheden. Werkgever heeft daarop aangegeven het advies van de bedrijfsarts te willen volgen. Op 16 en 17 februari 2019 heeft werknemer aangepast werk gedaan bij werkgever, maar op 18 februari heeft werknemer zich wederom per e-mail ziek gemeld bij werkgever. Werkgever heeft dit in de opvolgende e-mailconversatie niet geaccepteerd. Op 30 april heeft het UWV geoordeeld dat de aangeboden arbeid per 19 februari 2019 als passend was aan te merken. Werknemer vordert in deze procedure betaling van achterstallig loon.
Oordeel
Het gaat in deze zaak om de vraag of werknemer in de periode tussen 19 februari 2019 en 30 april 2019 recht had op loon. De kantonrechter stelt voorop dat gelet op artikel 7:629a BW een loonvordering tijdens ziekte in beginsel afgewezen wordt indien bij dagvaarding geen deskundigenoordeel van het UWV is overgelegd. Vaststaat dat werknemer een dergelijk oordeel niet heeft overgelegd. Gesteld noch gebleken is dat het overleggen van de verklaring in redelijkheid in de onderhavige procedure niet van werknemer kan worden gevergd. De stelling van werknemer dat de ziekmelding van 18 februari 2019 een nieuwe ziekmelding betreft, waarover de bedrijfsarts nog geen oordeel heeft gegeven, doet aan het voorgaande niet af. Nu werkgever bij conclusie van dupliek het door werknemer aangevraagde deskundigenoordeel heeft overgelegd, overweegt de kantonrechter ten overvloede het volgende. Omdat de bedrijfsarts op 15 februari 2019 het laatste advies had gegeven en werknemer niet stelt dat sprake was van nieuwe klachten, is geen sprake van een nieuwe ziekmelding die in eerste instantie opnieuw door de bedrijfsarts moest worden beoordeeld. Daar komt bij dat in het deskundigenoordeel van het UWV is geoordeeld dat werknemer in de periode van 14 januari 2019 tot 18 februari 2019 wel in staat was om aangepaste werkzaamheden uit te voeren en dat de door werkgever aangeboden arbeid per 19 februari 2019 passend was. Nu werknemer geen (medische) informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij niet in staat was om de aangepaste werkzaamheden te verrichten, is de conclusie dat werkgever rechtsgeldig de betaling van het loon van werknemer heeft stopgezet. Gelet op het voorgaande zal de loonvordering van werknemer worden afgewezen. Ook de vordering tot betaling van niet genoten vakantiedagen en overuren wordt afgewezen, nu werknemer hieromtrent onvoldoende heeft gesteld.