Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Coöperatieve Rabobank U.A.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 24 november 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:9672
Voor het maken van onderscheid naar leeftijd in aftoppingsregeling van de EK-regeling bestaat een objectieve rechtvaardigingsgrond, zodat van verboden leeftijdsdiscriminatie geen sprake is.

Feiten

Werknemer is sinds 1981 in dienst van Rabobank. Werknemer is in december 2015 boventallig verklaard per 1 mei 2016. Op hem is de ‘Regeling voor EK-leden in geval van een reorganisatie met personele gevolgen’ (hierna: de EK-regeling) van toepassing. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 1 juni 2017 met wederzijds goedvinden geëindigd. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat werknemer een beëindigingsvergoeding heeft ontvangen van € 595.144,35 bruto. Deze vergoeding is ingevolge de aftoppingsclausule uit de EK-regeling beperkt tot de hoogte van het salaris dat werknemer had kunnen verdienen als hij tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zou zijn blijven werken. Inzet van deze procedure is de vraag of Rabobank gerechtigd was de beëindigingsvergoeding van werknemer af te toppen. Werknemer meent dat dat niet het geval is en dat hij aanspraak kan maken op de volledige vergoeding.

Oordeel

De tekst van de aftoppingsclausule is duidelijk: daarin staat dat de aftopping van de vergoeding plaatsvindt tot het inkomen dat het EK-lid verdiend zou hebben tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. In de tekst van de EK-regeling en in de tekst van het sociaal plan waarop deze is gebaseerd ziet het hof geen aanknopingspunten voor de stelling van werknemer dat, ondanks de duidelijke tekst in de aftoppingsclausule, bedoeld zou zijn om aan te sluiten bij de op enig moment geldende AOW-gerechtigde leeftijd. De regeling maakt naar het oordeel van het hof onderscheid naar leeftijd in de zin van de WGBLA. Dat is verboden, tenzij sprake is van een objectieve rechtvaardiging. De door Rabobank gestelde doelen, die als doeleinden van sociaal beleid kwalificeren, beoordeelt het hof als een legitiem doel van de aftoppingsregeling. De aftoppingsregeling is bovendien niet kennelijk ongeschikt om het doel te bereiken. Door de aftoppingsregeling wordt voorkomen dat boventallige werknemers financieel beter af zijn in vergelijking met hun doorwerkende collega’s. Gelet op de eigen regelingscontext doet deze EK-regeling ook niet op excessieve wijze afbreuk aan de belangen van werknemers zoals werknemer, die (als zij niet boventallig waren geworden) op of na hun 65ste leeftijd met pensioen zouden zijn gegaan. De vonnissen van de kantonrechter worden bekrachtigd.