Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Katholieke Scholengroep voor Voortgezet onderwijs Best-Oirschot
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 12 november 2020
ECLI:NL:RBOBR:2020:6092
Werkgever gaat uit van een onbegrijpelijke uitleg van het vonnis, zodat sprake is van misbruik van het procesrecht. Ook staat het gezag van gewijsde in de weg aan een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Feiten

Werkneemster is vanaf 18 februari 2008 in dienst bij Stichting Katholieke Scholengemeenschap voor Voortgezet onderwijs Best-Oirschot (hierna: Stichting). Zij werkt als docent lichamelijke opvoeding. Van 17 augustus tot 15 december 2019 had werkneemster zwangerschaps- en bevallingsverlof. Deze periode overlapt met de vastgestelde herfstvakantie van 14 tot en met 18 oktober 2019. Op de arbeidsovereenkomst is de cao VO van toepassing. Vanaf 1 juni 2018 bepaalt artikel 14 van de cao dat de vrouwelijke werknemer ten minste aanspraak behoudt op het vakantieverlof dat samenvalt met de zomervakantie en het tijdvak van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.  ‘Dit vakantieverlof wordt aansluitend op het zwangerschaps- en bevallingsverlof, dan wel de zomervakantie genoten, tenzij werkgever en werknemer anders overeenkomen. (…) Samenloop van andere schoolvakanties en de vijf extra dagen vakantieverlof zoals bedoeld in lid 1 onder a met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt niet gecompenseerd.’ Bij vonnis van deze rechtbank van 13 december 2018 heeft de kantonrechter de Stichting veroordeeld tot toekenning van vakantieaanspraken aan werkneemster in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de periode van 28 februari 2017 tot en met 3 maart 2017 en van 24 april 2017 tot en met 5 mei 2017. Werkneemster heeft naar aanleiding van het vonnis de Stichting verzocht haar in de gelegenheid te stellen die vakantieaanspraak te compenseren door haar zwangerschapsverlof te verlengen met 5 dagen, maar de Stichting heeft dat geweigerd. Werkneemster vordert om de Stichting te veroordelen tot toekenning van de vakantie-aanspraken die zij door haar zwangerschaps- en bevallingsverlof niet heeft kunnen genieten; dat betreft vijf dagen in de periode van 14 tot en met 18 oktober 2019.

Oordeel

In het vonnis van 13 december 2018 heeft de kantonrechter, op grond van exact dezelfde rechtsfeiten als in deze procedure aan de orde, beslist dat de vordering van werkneemster strekkende tot toekenning van vakantieaanspraken tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof moet worden toegewezen. Die beslissing is beoordeeld op basis van de cao VO 2016-2017. Vanaf 1 juni 2018 is de cao VO 2018-2019 van toepassing. In die laatste cao is artikel 15 omgenummerd naar artikel 14. De inhoud is niet gewijzigd. Partijen zijn verdeeld over wat de beslissing van de kantonrechter inhoudt. Uit overweging 8 van het vonnis in combinatie met de beslissing volgt dat de Stichting is veroordeeld tot toekenning van vakantieaanspraken met een omvang van veertien dagen. Die beslissing is niet voor een andere uitleg vatbaar. De Stichting kan dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat zij uitvoering aan dit vonnis heeft gegeven door artikel 14.1 lid 2 van de cao VO op teleologische wijze te interpreteren. Daarmee heeft zij de beslissing uitgelegd op een manier die niet met de uitspraak te verenigen is. Uit de beslissing volgt juist niet dat de vakantieaanspraak tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof moet worden herberekend, maar dat werkneemster de volledige vakantieaanspraak toekomt. Door bovendien het nieuw ontwikkelde beleid te baseren op artikel 14.1 lid 2 van de cao VO neemt de Stichting ten onrechte tot uitgangspunt dat het opnemen van zwangerschaps- en bevallingsverlof ertoe leidt dat een werknemer niet gedurende het gehele schooljaar in dienst is en slechts recht heeft op een vakantieaanspraak naar rato. Die uitleg staat haaks op de beslissing van de kantonrechter in het vonnis van 13 december 2018. De kantonrechter acht partijen gebonden aan de beslissing van de kantonrechter van het vonnis van 13 december 2018 en het gezag van gewijsde staat in de weg aan een nieuwe inhoudelijk beoordeling van het geschil. Omdat de Stichting haar verweer heeft gebaseerd op een onbegrijpelijke uitleg van het vonnis van 13 december 2018 wordt dit beschouwd als misbruik van het procesrecht en wordt zij veroordeeld in de volledige kosten van de procedure.