Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 30 november 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:9899
Feiten
Op 17 mei 2019 heeft werknemer tijdens zijn werkzaamheden een fiets aangetroffen en in de bedrijfswagen geladen. Hij heeft deze fiets mee naar huis genomen. Hierop heeft werkgeefster werknemer op 20 mei 2019 op staande voet ontslagen. In eerste aanleg is beslist dat het ontslag op staande voet op goede gronden is gegeven. Werknemer is hiertegen in hoger beroep gegaan. De beslissing in hoger beroep werd aangehouden en in de tussenbeschikking is werkgeefster toegelaten tot het leveren van bewijs dat werknemer zich aan diefstal heeft schuldig gemaakt.
Oordeel
Het bewijs
Bewijsmiddelen waaruit kan blijken aan wie de fiets toebehoorde voordat deze door werknemer werd meegenomen én dat die persoon geen toestemming aan werknemer had verleend de fiets mee te nemen zijn er niet. Voorts wijst geen enkel bewijsmiddel op de onwaarheid van de door werknemer beschreven omstandigheden waaronder hij de fiets heeft aangetroffen. De slotsom op dit onderdeel is dat wel aanwijzingen bestaan voor het door werknemer meenemen van een nog enigszins bruikbare fiets, maar dat onvoldoende aannemelijk is dat de staat waarin die fiets verkeerde evident zo goed was dat werknemer, hoewel hij de fiets aantrof bij af te voeren grof vuil, deze redelijkerwijs toch niet mocht aanmerken als een fiets waarvan afstand was gedaan. Het gevergde bewijs van diefstal is dan ook niet geleverd. Voorts acht het hof door middel van getuigenverklaringen bewezen dat aan werknemer een bedrijfsregel kenbaar is gemaakt die inhield dat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden aangetroffen voorwerpen die toebehoren aan de organisatie van werkgeefster of hen die daarmee in relatie staan niet mogen worden meegenomen. Niet bewezen is daarentegen dat die regel ook zag op voorwerpen die daarbuiten werden aangetroffen, zoals de betreffende fiets. Het gevergde bewijs op het punt van het meenemen van voorwerpen is dus niet geleverd. Nu het gevergde bewijs niet is geleverd geldt dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven.
Vergoedingen
Werknemer heeft berust in het ontslag. De gefixeerde schadevergoeding zal wel worden toegewezen. Daarnaast heeft werknemer verzocht om toekenning van een billijke vergoeding. Het hof is van oordeel dat daarvoor in dit geval reden bestaat, omdat werknemer zonder geldige reden op staande voet is ontslagen en hij daardoor met onmiddellijke ingang ten onrechte van inkomen verstoken bleef. Bij de beoordeling van de hoogte van de billijke vergoeding is een afweging van alle omstandigheden van het geval gemaakt, conform de New Hairstyle-beschikking van de Hoge Raad. Voorop staat dat werkgeefster een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gegeven ontslag op staande voet. Het aan het ontslagbesluit ten grondslag liggende onderzoek was onzorgvuldig, in het bijzonder omdat werkgeefster niet heeft nagegaan of onderkend dat haar bedrijfsreglement niet voorzag in een situatie als hier aan de orde. Daar staat tegenover dat de looptijd van de arbeidsovereenkomst (aangegaan voor zes maanden) na ontslagdatum nog slechts beperkt was. De gefixeerde schadevergoeding dekt bovendien reeds een deel van het salarisverlies over die periode. Dat het dienstverband met werknemer na afloop van de contractperiode zou zijn voorgezet is, ten slotte, niet aannemelijk. De verzochte billijke vergoeding van € 5.000 is daarom redelijk.