Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 14 augustus 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:9516
Feiten
Werknemer 2 is sinds 1 mei 2014 bij Agapè Zorg B.V. (hierna: Agapè) in dienst en is sinds 29 december 2014 statutair bestuurder. Werkneemster 1 is sinds 1 januari 2015 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst bij Agapè, aanvankelijk als woonbegeleider, maar zij heeft bestuurder op 1 november 2019 vervangen als statutair bestuurder, zonder dat daar een schriftelijk benoemingsbesluit van de aandeelhoudersvergadering aan ten grondslag heeft gelegen. Vanaf het moment dat bestuurder zich heeft teruggetrokken als bestuurder van Agapè (1 november 2019) is hij wel werkzaamheden voor Agapè blijven verrichten. Bestuurder is tevens bestuurder van Kringloopwinkel De Loods B.V. (hierna: De Loods). In de loop van 2017 is tussen werknemer 2 en bestuurder discussie ontstaan over de verhouding tussen Agapè enerzijds en De Loods anderzijds. Volgens werknemer 2 zou het beeld kunnen ontstaan dat bestuurder als aandeelhouder van Agapè via een omweg toch winst zou genereren, namelijk via De Loods, die wel winstoogmerk heeft en die feitelijk gerund wordt door medewerkers en cliënten van Agapè. Vanaf eind 2019 hebben zich enkele incidenten voorgedaan waardoor de verstandhouding tussen werkneemster 1 en werknemer 2 enerzijds en bestuurder anderzijds verstoord is geraakt. In een brief die door bestuurder is verstuurd op 14 april 2020 aan werkneemster 1, werknemer 2 en de RvC, heeft bestuurder enkele besluiten aangekondigd, waaronder het besluit om zelf als bestuurder van Agapè terug te keren. Bij besluit van de aandeelhoudersvergadering van 11 mei 2020 zijn werkneemster 1, die op dat moment met zwangerschapsverlof was, en werknemer 2 ontslagen als statutair bestuurder. Partijen twisten over de vraag of aan werknemers een billijke vergoeding toekomt.
Oordeel
Onbetwist staat vast dat de wijze waarop in het besluit van de aandeelhoudersvergadering op 11 mei 2020 tot ontslag is gekomen – zacht uitgedrukt en om velerlei redenen – niet voldeed aan de wettelijke en statutaire vereisten die aan een dergelijk besluit worden gesteld. Reeds dat gegeven brengt met zich dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen zoals bedoeld in artikel 7:682 lid 3 onder b BW, zodat een billijke vergoeding in beeld komt. Daarmee is slechts de omvang van die vergoeding nog onderwerp van geschil. Beginpunt en kern van het geschil dat tot het ontslag heeft geleid is de wens van werknemer 2 en later ook van werkneemster 1 om de schijn van een ongeoorloofde belangenverstrengeling tussen Agapè en De Loods weg te nemen door ontvlechting op welke wijze dan ook, en de weigering van bestuurder om mee te werken aan elk voorstel dat werknemer 2 en werkneemster 1 daartoe hebben gedaan. Op zichzelf is die wens van werknemer 2 en werkneemster 1 invoelbaar en zelfs begrijpelijk, maar het stond en staat bestuurder als eigenaar vrij om de constructie te handhaven zoals die is. Dat er door journalisten en zelfs door sommige gemeenten met een argwanend oog naar die belangenverstrengeling wordt gekeken, maakt, wat daar ook verder van zij, niet dat sprake is van een onrechtmatige en daarmee ongeoorloofde situatie. Partijen hebben dat verschil van inzicht echter niet kunnen overbruggen en zelfs op de spits gedreven tot aan het punt waar ze nu beland zijn, hetgeen om velerlei redenen valt te betreuren, niet in de laatste plaats omdat de capaciteiten van werknemer 2 en werkneemster 1 als bestuurders verder door niemand ooit in twijfel zijn getrokken. In die escalatie hebben echter ook werknemer 2 en werkneemster 1 hun aandeel gehad, bijvoorbeeld door bestuurder ervan te betichten dat het gebruik van camera’s in De Loods ontoelaatbaar was, zonder dat ook maar op enige wijze was gebleken dat de wijze waarop van die camera’s gebruik werd gemaakt inderdaad in strijd is met enige regelgeving op dit punt. In het verlengde daarvan kan werknemer 2 en werkneemster 1 ook het te laat betalen van het loon over april 2020 tegengeworpen worden. Genoemde omstandigheden wegen mee in de bepaling van de omvang van de billijke vergoeding. Mede gelet op die omstandigheden, alsmede gelet op de duur van de arbeidsovereenkomst, de omvang van het loon, de leeftijd van verzoekers en de overige omstandigheden zoals door de Hoge Raad in zijn New Hairstyle-beschikking van 30 juni 2017 genoemd, acht de rechtbank een billijke vergoeding van € 20.000 voor werkneemster 1 en € 20.000 voor werknemer 2 op zijn plaats.