Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 8 december 2020
ECLI:NL:RBZWB:2020:6127
Belemmering van werkgever van de onderhandelingen over beëindigingsovereenkomst leiden tot latere beëindiging van het slapend dienstverband. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling ‘resterende’ transitievergoeding.

Feiten

Werknemer was van 1 september 1989 tot en met 31 juli 2020 in dienst bij werkgever in de functie van productiemedewerker. Op 11 mei 2014 werd werknemer arbeidsongeschikt en hij is vanaf dat moment niet meer in staat zijn eigen werkzaamheden of aangepaste werkzaamheden te verrichten. Aan hem is per 8 mei 2016 een WIA-uitkering toegekend. Werknemer is op 12 april 2019 gevraagd in te stemmen met beëindiging van het dienstverband, hetgeen hij niet heeft gedaan. Op 31 december 2019 vroeg werkgever toestemming bij het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op de b-grond. Het UWV verleende die toestemming op 27 januari 2020. Op 11 februari 2020 zegde werkgever aan werknemer de arbeidsovereenkomst op tegen 1 augustus 2020. Werknemer maakte bij brief van 10 maart 2020 aanspraak op de transitievergoeding van € 74.894 bruto. Werkgever keerde hem een transitievergoeding uit van € 47.817 bruto op 1 september 2020. Werknemer verzoekt de veroordeling van werkgever tot betaling van € 27.077 bruto als het restant van de transitievergoeding.

Oordeel

Bij de mondelinge behandeling erkent werkgever de transitievergoeding waarop volgens hem werknemer recht heeft te laag te hebben berekend, zodat hij hem nog € 4.794 bruto zal betalen. De kantonrechter overweegt dat partijen het erover eens zijn dat werknemer recht heeft op een transitievergoeding, maar verschillen van mening over de peildatum. Werknemer gaat uit van de peildatum 31 juli 2020, de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigde. Werkgever stelt met een beroep op het Xella-arrest de peildatum op 8 mei 2016, de dag na die waarop hij de arbeidsovereenkomst had kunnen (doen) beëindigen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van werknemer. In het licht van het Xella-arrest moet een werkgever instemmen met een voorstel van een werknemer tot beëindiging van een slapend dienstverband. Een overeenkomst tot beëindiging van het dienstverband is tussen partijen niet gesloten. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd met toestemming van het UWV. Een dergelijke wijze van beëindiging leidt tot het recht van werknemer op een transitievergoeding die moet worden berekend aan de hand van de peildatum 31 juli 2020.  Het Xella-arrest brengt niet mee dat in dit geval moet worden uitgegaan van de peildatum 8 mei 2016. Het beroep van werkgever op de redelijkheid brengt niet mee dat in afwijking van de wettelijke bepalingen de transitievergoeding moet worden berekend met als peildatum 8 mei 2016. Het staat de rechter niet vrij af te wijken van wettelijke regelingen over de berekening van de transitievergoeding, tenzij onverkorte toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De onvrede van werkgever dat hij een aanzienlijk hogere transitievergoeding verschuldigd is dan het geval was geweest als de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd, komt de kantonrechter begrijpelijk voor. Omdat de compensatie die de werkgever ontvangt, wordt berekend aan de hand van de peildatum 8 mei 2016, moet werkgever een belangrijk deel zelf dragen. De oorzaak van het feit dat werknemer heeft afgezien van zijn instemming om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen is gelegen in de voorwaarde die werkgever hieraan had verbonden. Die kwam erop neer dat indien volgens het UWV een lagere transitievergoeding voor compensatie in aanmerking zou komen, werknemer het verschil moest terugbetalen aan werkgever. Hoewel werkgever hier uiteindelijk van af zag, stelde hij zich wel op het standpunt dat de transitievergoeding lager was dan het bedrag verschuldigd op basis van de peildatum 8 mei 2016. Dit betekent dat werkgever het over zichzelf heeft afgeroepen dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden is beëindigd. Onder deze omstandigheden is het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de na opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgever  verschuldigde transitievergoeding conform de wettelijke regelingen wordt berekend met als peildatum 31 juli 2020. De vordering van werknemer is dan ook toewijsbaar.